Asiel en migratie Universeel en existentieel

22 augustus 2018     door Marc Peeters

Situering

Het thema asiel en migratie veroorzaakt voortdurend ophef omdat het ons raakt op verschillende fronten: identiteit, normen en waarden, burgerschap, integratie, humanisme, solidariteit, mededogen, religie, inclusie of exclusie, maatschappelijke en financiële draagkracht.

Wie als beleidsmaker hiermee geconfronteerd wordt, dient ‘a hell of a job’ uit te voeren, in een context waarin de beste stuurlui zoals gewoonlijk aan wal staan. Daarbij ontbreekt het niet aan roeptoeters, wel aan dossierkennis en duiding. Het blijkt hier eens te meer dat objectieve journalistiek niet gedijt in ideologische aversie of gevoelens van morele superioriteit en een voortdurende behoefte tot terechtwijzen. Steekvlamopinies zijn zelden onderbouwd. Stimulering van de dader-slachtoffercultuur leidt zelden tot duurzame oplossingen.

De media van welk type ook spelen nu eenmaal gretig in op de profileringsdrang van sommige politici, organiseren de jacht op de vermeende zondebok en staan klaar met de virtuele schandpaal. Ze maken een amalgaam van begrippen als vluchteling, asielzoeker en legale of illegale migrant. Bij voorkeur door in elk debat zonder enige nuance emotie en verontwaardiging te injecteren. De ratio blijft verweesd achter.

Een asielzoeker is een persoon die uit lijfsbehoud zijn of haar land van oorsprong heeft verlaten omwille van oorlog, geweld of vervolging en die hulp vraagt door een verzoek om internationale bescherming in te dienen. Een vluchteling is een asielzoeker die erkend wordt door de bevoegde autoriteiten. Het statuut van begunstigde van subsidiaire bescherming wordt verleend aan een vreemdeling die niet voldoet aan de voorwaarden om erkend te worden als vluchteling, maar die een reëel risico loopt op ernstige schade (foltering, doodstraf, bedreiging van het leven in geval van een internationaal of binnenlands gewapend conflict) bij terugkeer naar zijn of haar land van oorsprong.

Een migrant is een persoon die om economische, educatieve of familiale redenen uit eigen beweging zijn of haar land verlaat. Een arbeidsmigrant bv. verhuist om elders werk te zoeken en een toekomst uit te bouwen. In de regel kunnen migranten veilig naar hun thuisland terugkeren. Migranten kunnen ook vertrekken om alternatieven te zoeken voor moeilijke leefomstandigheden die voortkomen uit natuurrampen, hongersnood of extreme armoede.

In de kwestie van o.m. de Soedanezen, die enige tijd geleden tot behoorlijk wat ophef heeft geleid, of van de migranten aan het Brusselse Noordstation of in het Maximiliaanpark, gaat het meestal niet om asielzoekers (ook al wordt hen die mogelijkheid geboden), maar om transitmigranten die tijdelijk in een doorreisland (in casu België) verblijven met de bedoeling hoe dan ook hun gekozen land van bestemming te bereiken, in dit geval het Verenigd Koninkrijk.

Migratiespecialist Prof. Dirk Vanheule (UAntwerpen) zegt over de transitmigranten in De Standaard  van 12 januari 2018: ‘Het is aan de mensen in de illegaliteit zelf om de eerste stap te zetten, om uit hun situatie van wetteloosheid te treden en een verblijfsaanvraag in te dienen. De overheid zal niet uit eigen beweging papieren uitdelen, en dat kan je haar niet verwijten.’

Toekomstbeeld

Volgens de in 2017 gepubliceerde rapporten ‘World Population Prospects: The 2017 Revision’ van de Verenigde Naties (VN) en ‘Generation 2030 Africa 2.0’ van UNICEF (het VN Kinderfonds) zal tegen 2050 de bevolking in Afrika verdubbelen naar 2,5 miljard. Ze evolueert van 39 inwoners per vierkante kilometer vandaag naar 80 In 2050. Die bevolking is grotendeels jonger dan 18. Het aantal Afrikaanse minderjarigen zwelt aan van 547 miljoen in 2015 tot bijna 1 miljard in 2055. 47% van de kinderen in de wereld zal tegen 2100 in Afrika wonen.

Momenteel leeft 40% van de Afrikanen in steden. In vergelijking met 14% in 1950 is dit een grote toename. Tegen eind jaren 2030 zal de meerderheid van de Afrikaanse bevolking in stedelijk gebied wonen. In 2050 zal dit bijna 60% zijn. Zo zal in Caïro, de grootste stad van Afrika, in 2030 de bevolking zijn aangegroeid tot 25 miljoen mensen. Door de bevolkingsexplosie zal de migratiedruk vanuit Afrika naar Europa enkel maar stijgen.

Daarnaast dienen we ook rekening te houden met de gevolgen van de klimaatverandering. Bekommernis over smeltende ijskappen, verzengende droogte en zwaardere tropische stormen alleen volstaat niet. Klimaatwetenschappers waarschuwen er al lang voor dat de opwarming van de aarde het aantal vluchtelingen substantieel zal doen toenemen. En dat zal vooral Europa voelen.

Op vraag van de EU deden onderzoekers aan The Earth Institute van de Columbia University in New York een poging tot toekomstprojectie. Hun conclusies, gepubliceerd op 22 december 2017 in het vakblad Science onder de titel ‘Asylum applications respond to temperature fluctuations’, stemmen niet hoopvol. Als de opwarming beperkt blijft tot 1,8 graden tegen 2100 (de doelstelling in het klimaatakkoord van Parijs), zullen er jaarlijks 98.000 extra asielaanvragen bijkomen. Maar die 1,8 graden is een erg optimistisch scenario. De kans is reëler dat het in 2100 ruim 3 graden warmer is. In dat geval houden de onderzoekers rekening met 660.000 extra vluchtelingen per jaar.

Hoe komen onderzoekers Anouch Missirian en Wolfram Schlenker tot die getallen? Ze baseerden zich op de asielaanvragen die sinds 2000 in Europa werden gedaan. Vanuit 103 landen vroegen jaarlijks ongeveer 350.000 mensen asiel aan. Vervolgens filterden ze belangrijke migratieredenen zoals oorlog en politieke instabiliteit uit de aanvragen. Daarna brachten ze weerfactoren in kaart. Ze stelden daarbij vast dat het aantal vluchtelingen steeg als in de landen van herkomst de temperatuur tijdens het landbouwseizoen afweek van 20 graden. Dat is de ideale temperatuur om gewassen te laten groeien. Omdat door de klimaatverandering die stabiele temperaturen steeds meer onder druk komen, zal het aantal asielzoekers tegen het einde van de 21ste eeuw kunnen oplopen tot 1 miljoen per jaar.

In Europa zullen het Zuiden en het Middellandse Zeegebied het zwaarst te lijden hebben onder de klimaatveranderingen. Dat stelt het Europees Milieuagentschap (EMA) in haar op 25 januari 2017 gepubliceerde rapport ‘Climate change, impacts and vulnerability in Europe 2016’. Maar ook de rest van Europa, en zeker de kuststreken, zullen de gevolgen van de opwarming van de aarde voelen. Bovendien stijgt de omgevingstemperatuur in Europa sneller dan in de rest van de wereld en is het continent onvoldoende voorbereid. Het EMA verwacht dat de situatie de komende decennia niet snel zal veranderen.

Een stijging van de zeespiegel, meer en intensere hittegolven, meer periodes van droogte en stormen, meer overstromingen. Dat zijn de mogelijke gevolgen voor Europa van de temperatuurwijzigingen. Vooral Zuid- en Zuidoost-Europa zijn kwetsbaar, de zogenaamde ‘hotspots van klimaatverandering’. Meer hittegolven en minder neerslag zullen voor droogte zorgen met negatieve gevolgen voor de lokale landbouw, natuurbehoud, biodiversiteit en gezondheid, waarschuwt het EMA. Er dreigen meer woestijngebieden te ontstaan en de kans op bosbranden stijgt. Daarbij komt dat de landen in dit gebied ook als eerste de gevolgen zullen ondervinden van de klimaat gerelateerde problemen buiten Europa, zoals een terugval van de handel en de toename van klimaatvluchtelingen.

Het is duidelijk dat wie oprecht bekommerd is om het welzijn van de komende generaties, best niet aan struisvogelpolitiek doet. Asiel en migratie zijn historisch gezien eigen aan de mensheid, ze zijn universeel en existentieel. Mediagenieke slogantaal of oeverloos gejammer zal ons niet helpen weloverwogen oplossingen te vinden die de kortzichtigheid en het geldgewin overstijgen.

Beleid

Met de problematiek van asiel en migratie c.q. de beleidsuitvoering in deze domeinen zijn in België minstens acht administratieve en gerechtelijke overheidsinstanties actief, naast diverse niet-gouvernementele organisaties en advocatenkantoren gespecialiseerd in de materie.

Voor 2016 en 2017 werd de kostprijs van de vluchtelingeninstroom voor alle Belgische overheden samen geraamd op 1,5 miljard euro per jaar, zoals uit de meerjarenbegroting blijkt die België indiende bij de Europese Commissie. Er is dus hoegenaamd geen gebrek aan aandacht, inzet, middelen en faciliteiten (opvang, inburgering, OCMW-steun, onderwijs, sociale huurwoning na inschrijving op de wachtlijst en toekenning). Jammer van de politieke recuperatie en het bijbehorend gekrakeel.

In de perceptie is elke vluchteling ook een migrant. Klopt dat? Deze synthesenota leidt mogelijk tot groter inzicht, minstens begrip. Meer pretendeert deze oefening ook niet te zijn. Het is geen wetenschappelijke analyse, maar louter een aansporing tot nadenken over een gevoelige materie.

De asielprocedure

A. Wettelijk kader

Het internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen door 150 landen ondertekend te Genève op 28 juli 1951 en aangevuld door het Protocol van New York op 31 januari 1967 (samen het Vluchtelingenverdrag of Conventie van Genève), vormt de wettelijke basis voor het erkennen van de vluchtelingenstatus. De Belgische wetgeving, rechtspraak en rechtsleer verwijst expliciet naar het Vluchtelingenverdrag. Over het algemeen geldt dat mensen op de vlucht individueel moeten kunnen aantonen dat ze vervolgd worden - minstens dat daartoe gegronde vrees bestaat - om wie ze zijn, wat ze doen of omwille van de bevolkingsgroep waar ze deel van uitmaken.

Artikel 33 van het Vluchtelingenverdrag omschrijft het non-refoulement beginsel, het verbod tot uitzetten of teruggeleiden van een asielzoeker of vluchteling naar een grondgebied waar die persoon in een levensbedreigende situatie zou terechtkomen of het risico zou lopen op vrijheidsberoving omwille van ras, godsdienst, nationaliteit, politieke overtuiging of het behoren tot een bepaalde sociale groep. Vluchtelingen die een ernstig risico vormen voor de veiligheid van het ontvangstland of die bij gewijsde (definitief vonnis) veroordeeld zijn wegens een bijzonder ernstig misdrijf en aldus een bedreiging vormen voor de samenleving van het ontvangstland, kunnen geen aanspraak maken op de voordelen van voormelde regelgeving.

Daarnaast zijn de bepalingen van kracht van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), ondertekend op 4 november 1950 in Rome. Sinds 1998 is het verdrag bindend voor alle lidstaten van de Raad van Europa. Ratificatie van het EVRM is eveneens een noodzakelijke voorwaarde voor lidmaatschap van de Europese Unie. Wat de asiel en migratieproblematiek aangaat, wordt dikwijls gerefereerd aan artikel 3 (Verbod van foltering): ‘Niemand mag worden onderworpen aan folteringen of aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen.’ In deze context zijn ook de artikelen 5 (recht op vrijheid en veiligheid)

en 6 (recht op een eerlijk proces) van belang.

Het grondrecht van non-refoulement vinden we ook terug in:

  • Artikel 7 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, ondertekend op 19 december 1966 in New York (in België goedgekeurd bij wet van 15 mei 1981 en geratificeerd op 21 april 1983): ‘Niemand mag worden onderworpen aan folteringen, noch aan wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing. Niemand mag vooral ook, zonder zijn in vrijheid gegeven toestemming, worden onderworpen aan medische of wetenschappelijke proefnemingen.’
  • Artikel 3 van het Verdrag tegen foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing (Convention against Torture of CAT), ondertekend op 4 februari 1985 in New York (in België bekrachtigd op 25 juni 1999): ‘(1) Geen enkele Staat die partij is bij dit Verdrag, mag een persoon uitzetten of terugzenden ("refouler") naar of uitleveren aan een andere Staat wanneer er gegronde redenen zijn om aan te nemen dat hij daar gevaar zou lopen te worden onderworpen aan foltering. (2) Bij het vaststellen of zodanige redenen aanwezig zijn, dienen de bevoegde autoriteiten rekening te houden met alle van belang zijnde overwegingen waaronder, waar van toepassing, het bestaan in de betrokken Staat van een samenhangend patroon van grove, flagrante of massale schendingen van mensenrechten.’
  • De artikelen 4 en 19 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, in 2000 formeel afgekondigd te Nice door het Europees Parlement, de EU-Raad en de Europese Commissie (Publicatieblad EG 18 december 2000), die artikel 3 EVRM hernemen en er het verbod aan toevoegen tot collectieve uitzetting en in voorkomend geval het verbod tot uitlevering aan een staat waarin de doodstraf van toepassing is (artikel 19). Na te zijn gewijzigd is het Handvest in 2007 opnieuw afgekondigd. Pas met de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon op 1 december 2009 kreeg het Handvest rechtstreekse werking.

Het Europees Hof van Justitie (HvJ-EU) stelt in een arrest van 16 februari 2017: het verbod opgenomen in artikel 4 van het Handvest is ‘van wezenlijk belang aangezien het absoluut is omdat het nauw is verbonden met de eerbiediging van de in artikel 1 van het Handvest bedoelde menselijke waardigheid.’

  • De artikelen 4 en 5 van de Terugkeerrichtlijn 2008/115/EG dd. 16 december 2008 (zie infra) waarin de eerbiediging van het non-refoulement beginsel nogmaals wordt bevestigd, in samenhang met het respect voor het belang van kinderen, het familie- en gezinsleven en de gezondheidstoestand van de betrokken onderdaan van een derde land.

Op 10 oktober 2006 is als aanvulling op het Vluchtelingenverdrag, de subsidiaire beschermingsstatus ingevoerd in de Belgische wetgeving. De asielprocedure zelf, evenals de bevoegdheden van de asielinstanties vinden hun wettelijke basis in de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen. Deze Vreemdelingenwet is regelmatig gewijzigd, onder meer door de wet van 24 februari 2017, die als aanvullend doel vooropstelt ‘de bescherming van de openbare orde en de nationale veiligheid te versterken’. De huidige asielprocedure is overigens al in werking getreden op 1 juni 2007. Recente wetswijzigingen dateren van 21 november en 17 december 2017 (beide in B.S. van 12 maart 2018).

De wet van 12 januari 2007 (Opvangwet) regelt specifiek de opvang van asielzoekers en van andere categorieën van vreemdelingen in België. Ze voorziet materiële hulp, waaronder onderdak, eten en drinken, kledij, medische, sociale en psychologische begeleiding, een dagelijkse uitkering en toegang tot juridische bijstand en tot diensten zoals tolken en opleidingen. Sinds de inwerkingtreding in juni 2007 is ook de Opvangwet verschillende keren gewijzigd, de laatste keer door voormelde wet van 21 november 2017, vooreerst om een antwoord te bieden op de opvangcrisis van 2009 tot 2012 en in 2015, bovendien om in overeenstemming te blijven met het gemeenschappelijk Europees asielstelsel en met de rechtspraak.

B. Asielinstanties

Voor de asielprocedure zijn volgende instanties bevoegd: de Dienst Vreemdelingenzaken (DVZ), het Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen (CGVS) en de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen (RvV). In laatste orde kan eveneens de Raad van State (RvS) optreden.

De DVZ, het CGVS en de RvV ressorteren, samen met het Federaal agentschap voor de opvang van asielzoekers (Fedasil) en het Federaal Migratiecentrum Myria, onder de Federale Overheidsdienst (FOD) Binnenlandse Zaken, directoraat-generaal Vreemdelingenzaken. De voor deze instanties bevoegde staatssecretaris voor Asiel en Migratie (in casu Theo Francken) is toegevoegd aan de minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken (huidig minister Jan Jambon).

De vertegenwoordiger in België van het UNHCR (Hoog Commissariaat voor de Vluchtelingen van de Verenigde Naties opgericht in 1950, met zetel te Genève) kan, met adviserende bevoegdheid, in elk stadium van de procedure tussenbeide komen. Deze internationale instelling heeft wereldwijd 11.517 mensen in dienst (31/05/2018), voor het overgrote deel werkzaam in ontwikkelingslanden waar grote groepen vluchtelingen in kampen verblijven. Het UNHCR beschikt in 2018 over een budget van 8,3 miljard USdollar (einde Q2 2018). Daarmee helpt de organisatie 19,9 miljoen mensen die binnen of buiten de grenzen van hun land op de vlucht waren geraakt, de meesten uit Syrië (6,3 miljoen), Afghanistan (2,6 miljoen) en Zuid-Soedan ( 2,4 miljoen). Cijfers uit het ‘Global Report 2017’ met update Q2 2018. Zie ook de New York Declaration for Refugees and Migrants van de VN - 19 september 2016.

1. De Dienst Vreemdelingenzaken (DVZ)

     Directeur-generaal: Freddy Roosemont

Een vreemdeling die een asielaanvraag wenst in te dienen, moet dit doen bij de DVZ. Dit kan bij aankomst aan de grens, zo niet binnen de acht werkdagen na aankomst op het Belgisch grondgebied in de kantoren van de DVZ, in een gesloten centrum of in een strafinrichting.

De DVZ registreert de asielaanvraag en neemt een verklaring af met betrekking tot de identiteit, de herkomst en de reisweg van de vreemdeling. Bij de registratie wordt ook meteen de proceduretaal (Nederlands of Frans) bepaald, worden de vingerafdrukken genomen en wordt een tolk voorzien indien de asielzoeker de proceduretaal niet machtig is.

De DVZ-medewerker vult met de asielzoeker een CGVS-vragenlijst in. Deze heeft betrekking op de redenen die de vreemdeling ertoe hebben aangezet om een asielaanvraag in te dienen en op de mogelijkheden tot terugkeer naar het land waaruit hij/zij gevlucht is. Deze vragenlijst dient later in de procedure als basis voor de voorbereiding van het interview op het CGVS.

De DVZ is bevoegd voor de vaststelling van de Europese Unie-lidstaat (aangevuld met Europese Economische Ruimte-leden Noorwegen en IJsland) die verantwoordelijk is om de asielaanvraag te behandelen. De vreemdeling wiens asielaanvraag wordt geweigerd, kan een nieuwe aanvraag indienen, die de DVZ evenwel slechts in overweging neemt op voorwaarde dat de vreemdeling nieuwe relevante elementen aanbrengt.

De Dienst Vreemdelingenzaken is bevoegd voor de vasthouding van de asielzoeker en voor de betekening van een bevel om het grondgebied te verlaten.

2.  Het Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen (CGVS)

      Commissaris-generaal: Dirk Van den Bulck

Het CGVS is opgericht in 1988 en heeft als onafhankelijke administratieve instantie een centrale plaats in de asielprocedure. Het is de enige instantie met onderzoeksbevoegdheid.

Het CGVS is gemachtigd om de vluchtelingenstatus te erkennen of te weigeren en om de subsidiaire beschermingsstatus toe te kennen of te weigeren. Het CGVS onderzoekt automatisch alle asielaanvragen individueel, eerst in het kader van het Vluchtelingenverdrag, vervolgens in het kader van de subsidiaire bescherming.

De asielzoeker heeft een medewerkingsplicht. Hij of zij dient zo snel mogelijk alle elementen voor te leggen die zijn of haar aanvraag kunnen staven: verklaringen en alle documenten die de asielzoeker in bezit heeft over zijn of haar nationaliteit, identiteit, leeftijd en achtergrond (inclusief die van relevante familieleden), landen en plaatsen van eerder verblijf, vroegere asielaanvragen, reisroutes, reisdocumenten en de redenen voor de asielaanvraag, waarvan de bewijslast bij hem of haar ligt.

Het CGVS heeft een samenwerkingsplicht en een hoorplicht, wat inhoudt dat het de nodige onderzoeksmiddelen inzet om alle nuttige informatie te verzamelen die toelaat de geloofwaardigheid en de gegrondheid van de aanvraag te beoordelen. Wanneer blijkt dat de asielzoeker beantwoordt aan de criteria van het Vluchtelingenverdrag, wordt hij of zij erkend als vluchteling.

Indien de asielzoeker geen vluchteling is, maar indien hij of zij een reëel risico op ernstige schade loopt in geval van terugkeer naar het land van oorsprong of herkomst, zal de subsidiaire beschermingsstatus worden toegekend. In de andere gevallen neemt de commissaris-generaal een beslissing tot weigering van de toekenning van internationale bescherming.

In elk dossier beslist het CGVS aldus over de internationale bescherming, specifiek of de vluchtelingenstatus dan wel subsidiaire bescherming wordt verleend of geweigerd. Tegen deze beslissing kan de asielzoeker bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen (RvW) een beroep indienen.

In het geval een asielaanvraag ingediend wordt door een onderdaan van een EU-lidstaat of van een kandidaat-lidstaat, kan het CGVS beslissen de aanvraag niet in overweging te nemen wanneer uit de verklaring van de asielzoeker niet duidelijk een gegronde vrees voor vervolging of een reëel risico op ernstige schade blijkt. Het CGVS moet binnen vijf werkdagen een beslissing nemen.

Staatlozen vormen een extra kwetsbare groep van vreemdelingen. Wereldwijd bezitten ongeveer 10 miljoen mensen geen nationaliteit. In 1961 sloten de Verenigde Naties het Verdrag tot Beperking van de Staatloosheid. België heeft het ondertekend in 2014.

3.  De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen (RvV)

      Eerste voorzitter: Serge Bodart

De RvV is een onafhankelijk administratief rechtscollege, opgericht bij wet van 15 september 2006 en officieel van start gegaan op 1 juni 2007.

Elke asielzoeker, met uitzondering van de onderdanen van een EU-lidstaat, heeft de mogelijkheid om een schorsend beroep in te dienen tegen de beslissing van het CGVS. De RvV is als beroepsinstantie bevoegd om de beslissing van het CGVS te bevestigen (weigering) of te hervormen (alsnog toekennen van de oorspronkelijk geweigerde status). De RvV kan dus internationale bescherming toekennen of weigeren.

Verder kan de RvV de beslissing van de commissaris-generaal vernietigen wegens substantiële onregelmatigheden die niet kunnen worden hersteld door de RvV of omdat essentiële elementen ontbreken zodat de RvV niet kan komen tot een gefundeerde beslissing zonder dat aanvullend onderzoek wordt uitgevoerd. Aangezien de RvV niet beschikt over een eigen onderzoeksbevoegdheid, zal het CGVS na vernietiging van zijn beslissing het onderzoek voortzetten en een nieuwe beslissing nemen.

Beroepen bij de RvV moeten worden ingediend binnen 30 dagen na de betekening van de beslissing van het CGVS (beroep volle rechtsmacht). Binnen diezelfde termijn kan de bevoegde minister of staatssecretaris een beroep indienen tegen een beslissing tot erkenning van de vluchtelingenstatus of tot toekenning van subsidiaire bescherming door het CGVS.

De RvV is bovendien bevoegd om beslissingen van het CGVS voor onderdanen van de Europese Unie of van een kandidaat-lidstaat te vernietigen. De vernietigingsberoepen moeten worden ingediend binnen 30 dagen na de betekening van de aangevochten beslissing (annuleringsberoep). Het indienen van het beroep schort de uitvoering van de betwiste beslissing op. De asielzoeker kan dus niet worden verwijderd van het grondgebied vooraleer de RvV een uitspraak heeft gedaan.

De beslissingen van de RvV zijn alleen vatbaar voor beroep in cassatie voor de Raad van State. Er is een filterprocedure voorzien. Elk cassatieberoep wordt onderworpen aan een onderzoek inzake toelaatbaarheid. De beroepen worden ‘niet toelaatbaar’ verklaard indien de Raad van State niet bevoegd of zonder rechtsmacht is, of wanneer de beroepen zonder voorwerp of kennelijk onontvankelijk zijn. De termijn voor het instellen van een cassatieberoep is 30 dagen na betekening van de beslissing van de RvV.

Aan het einde van de asielprocedure krijgt de asielzoeker bescherming, via het vluchtelingenstatuut of dat van de subsidiaire bescherming, of is hij uitgeprocedeerd. Wanneer de asielaanvraag definitief verworpen werd, krijgt de uitgewezen asielzoeker een bevel om het grondgebied te verlaten.

Het valt op dat de rechters van de RvV regelmatig de uitwijzing naar hun herkomstland verhinderen van wegens terrorisme veroordeelde Marokkaanse of Tunesische gedetineerden c.q. vervroegd vrijgelaten vreemdelingen in onwettig verblijf. De reden? Volgens de RvV is in specifieke gevallen onvoldoende onderzocht of de teruggestuurde misdadigers na aankomst in hun land niet zullen worden gefolterd (in strijd met artikel 3 EVRM). Vrijlating na hun straf is dan ook de enige optie. Nochtans bestaan er tussen België en Marokko, recent ook Tunesië, bilaterale akkoorden voor de gedwongen repatriëring van gevonniste personen of illegale migranten.

4. Het Federaal agentschap voor de opvang van asielzoekers (Fedasil)

     Directeur-generaal: Jean-Pierre Luxen

Fedasil is een instelling van openbaar nut die werd opgericht door de programmawet van 19 juli 2001 en operationeel is sinds mei 2002. Het agentschap is verantwoordelijk voor de opvang van asielzoekers en andere doelgroepen en garandeert de kwaliteit en de conformiteit binnen de verschillende opvangstructuren. Fedasil coördineert daarenboven de organisatie van vrijwillige terugkeer naar de herkomstlanden. Zie kadernota ‘Wijziging Opvangwet en Vreemdelingenwet’ van 14 maart 2018.

Personen die bij de Dienst Vreemdelingenzaken asiel hebben aangevraagd, begeven zich vervolgens naar de Dispatching van Fedasil (in hetzelfde gebouw). Die wijst de asielzoeker een opvangplaats toe (de verplichte plaats van inschrijving of 'code 207'). In totaal beschikt België over ongeveer 25.000 opvangplaatsen. De Dispatching geeft alle nieuwe asielzoekers een informatiebrochure die in tien talen beschikbaar is en hen informeert over hun rechten en plichten tijdens de opvangperiode. Volgens Fedasil-cijfers daterend van augustus 2017, kwamen de asielzoekers toen opgevangen door het agentschap voornamelijk uit Afghanistan (31,4%), Irak (17,1%), Syrië (9,4%) en Somalië (5,2%).

Het recht op opvang loopt ten einde wanneer de asielprocedure afgelopen is en de eventuele beroepsprocedures uitgeput zijn. Na een positieve beslissing krijgt de vluchteling (of de persoon die recht heeft op subsidiaire bescherming) een verblijfsvergunning en kan hij op zoek gaan naar een eigen woning. Hij mag nog twee maanden in een opvangstructuur verblijven om een geschikte verblijfplaats te zoeken. Hij kan hiervoor hulp vragen aan een OCMW.

Na een negatieve beslissing krijgt de uitgewezen asielzoeker een bevel om het grondgebied te verlaten. Sinds 2012 en de invoering van een terugkeertraject wordt de persoon voor wie de negatieve beslissing door de RvV is bevestigd, verzocht zich te begeven naar een van de 14 Fedasil-opvangcentra die open terugkeerplaatsen organiseren. De bedoeling is om de bewoners te overtuigen van de voordelen van een vrijwillige terugkeer, in vergelijking met een gedwongen terugkeer. Het open karakter van de opvangcentra is gegarandeerd omdat geen enkele bewoner zal worden uitgezet tijdens de uitvoeringstermijn van het bevel om het grondgebied te verlaten (meestal 30 dagen), en omdat een bewoner steeds het centrum kan verlaten wanneer hij of zij dat wenst.

Fedasil beschikt eveneens over 4 gesloten opvangcentra: Steenokkerzeel (terugkeercentrum 127bis  en apart, 5 ‘family units’ voor volledig uitgeprocedeerde gezinnen), Brugge, Merksplas en Vottem.

C. De vluchtelingenstatus

De vluchtelingenstatus wordt toegekend aan de vreemdeling die voldoet aan de voorwaarden van het Vluchtelingenverdrag van Genève (zie artikel 48/3, § 1 van de Vreemdelingenwet). Artikel 1A van dat verdrag definieert als vluchteling: ‘de persoon die een gegronde vrees heeft voor vervolging om reden van zijn of haar ras, religie, nationaliteit, politieke overtuiging of het behoren tot een bepaalde sociale groep, die zich buiten zijn of haar land van herkomst bevindt en die omwille van die vrees de bescherming van dat land niet kan of wil inroepen’.

De persoonlijke en gegronde vrees voor vervolging is determinerend om als vluchteling te worden erkend. De asielzoeker kan niet volstaan met enkel te verwijzen naar risicoprofielen, mensenrechten-rapporten en de algemene situatie in het land van herkomst. Het CGVS toetst steeds de gegronde vrees aan objectieve en actuele vaststellingen. Internationale bescherming is alleen van toepassing als de asielzoeker de bescherming van zijn land van oorsprong of herkomst niet kan of niet wil inroepen en daar gefundeerde redenen voor heeft.

Het Vluchtelingenverdrag stipuleert in artikel 1C lid 5 en lid 6 dat de status van vluchteling in de zin van het verdrag ophoudt te bestaan als door bepaalde algemene veranderingen in het land van herkomst, onafhankelijk van de wil van de betrokken vluchteling, deze laatste geen bescherming meer behoeft en dus naar het land van herkomst kan terugkeren. Voorbeelden daarvan zijn het oprichten van een nieuwe staat, de democratisering van een staat en in het algemeen de totstandkoming van vrede.

De veranderingen in het herkomstland moeten fundamenteel, stabiel en duurzaam zijn. Indicaties voor dergelijke veranderingen zijn onder meer de invoering van democratische verkiezingen, gerechtelijke hervormingen, afschaffing van repressieve wetten en reorganisatie van instellingen. De geboden bescherming in het herkomstland dient beschikbaar en effectief zijn. Dit houdt onder meer in: een goed functionerende regering en dito administratieve structuur, een adequate infrastructuur en een correct werkend rechtssysteem dat de burgers de mogelijkheid biedt hun rechten af te dwingen. Criteria die ook in normale omstandigheden voor veel landen een uitdaging zijn.

Na zijn of haar erkenning heeft de vluchteling initieel recht op een verblijf van vijf jaar in België. Op het einde van deze periode, te rekenen vanaf de datum van indiening van de asielaanvraag, wordt hij of zij tot een verblijf van onbeperkte duur toegelaten, tenzij zoals supra aangestipt de situatie in het herkomstland gevoelig is verbeterd.

De erkende vluchteling is onderworpen aan het Belgisch recht en moet dezelfde wetten en regels respecteren als alle Belgen. Hij of zij kan niet terugkeren naar het land van herkomst tenzij de omstandigheden aldaar of de persoonlijke situatie fundamenteel veranderd zijn, waardoor de vluchtelingenstatus feitelijk en juridisch ophoudt te bestaan. Hij of zij kan ook vrijwillig afstand doen van de internationale bescherming als vluchteling wanneer hij of zij meent dat de redenen voor de vlucht uit het land van herkomst niet langer van toepassing zijn.

Bij een beslissing door het CGVS tot opheffing van de vluchtelingenstatus, kan de DVZ een bevel betekenen om het grondgebied te verlaten en zo een einde stellen aan het recht op verblijf in België, enkel tijdens de eerste 5 jaar te rekenen vanaf de datum van indiening van de asielaanvraag. Daarna kan het verblijf enkel beëindigd worden via een terugwijzings- of uitzettingsbesluit.

D. De subsidiaire beschermingsstatus

De subsidiaire beschermingsstatus (in België van kracht sinds 10 oktober 2006, in uitvoering van Europese richtlijn 2004/83/EG) wordt toegekend aan ‘de vreemdeling, die niet voor de vluchtelingenstatus in aanmerking komt en die geen beroep kan doen op artikel 9ter van de Vreemdelingenwet, en ten aanzien van wie er zwaarwegende gronden bestaan om aan te nemen dat, wanneer hij naar zijn land van herkomst, of in het geval van een staatloze, naar het land waar hij vroeger gewoonlijk verbleef, terugkeert, een reëel risico zou lopen op ernstige schade (…) en die zich niet onder de bescherming van dat land kan of, wegens dat risico, wil stellen en niet onder de uitsluitingsgronden zoals bepaald in artikel 55/4, valt’ (Artikel 48/4, § 1 van de Vreemdelingenwet).

De definitie bevat volgende determinerende factoren: geen medische redenen conform artikel 9ter van de Vreemdelingenwet (voor de beoordeling van medische elementen dient een aanvraag voor een machtiging tot verblijf gericht aan de minister, de staatssecretaris of zijn gemachtigde), zwaarwegende gronden, reëel risico, ernstige schade.

Zwaarwegende gronden impliceren een reëel, persoonlijk en voorzienbaar risico, dat de asielzoeker met bewijzen dient te staven. Het risico moet actueel en niet eventueel van aard zijn. Een verwijzing naar mogelijke toekomstige gebeurtenissen in het land van herkomst voldoet niet.

Ernstige schade bestaat uit

  1. doodstraf of executie door doodvonnis, al dan niet bij rechterlijke beslissing;
  2. foltering c.q. onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing van een verzoeker in zijn of haar land van herkomst (aanslag op de fysieke integriteit of de vrijheid);
  3. ernstige bedreiging van het leven of de persoon van een burger van een land als gevolg van willekeurig geweld in het geval van een internationaal of binnenlands gewapend conflict (Artikel 48/4, § 2 van de Vreemdelingenwet).

Het aantal personen aan wie de subsidiaire beschermingsstatus werd toegekend, ligt lager dan het aantal erkenningen van de vluchtelingenstatus. Dat komt omdat de Belgische asielinstanties (het CGVS en de RvV) prioriteit geven aan de toekenning van de vluchtelingenstatus en een ruime interpretatie van de definitie van vluchteling hanteren. Zo wordt voor bepaalde situaties waarvoor in andere landen de subsidiaire beschermingsstatus wordt toegekend, in België eerder de vluchtelingenstatus gehanteerd.

Bij de toepassing van de subsidiaire bescherming komen situaties onder a) en b) in de praktijk zelden voor. Als zij zich voordoen, gaat het meestal om situaties die in aanmerking komen voor ofwel de erkenning van de vluchtelingenstatus, ofwel voor uitsluiting daarvan (wegens ernstige aanwijzingen van betrokkenheid bij misdrijven tegen de menselijkheid of een ernstig gemeenrechtelijk misdrijf).

In de meeste gevallen waarin de subsidiaire beschermingsstatus verleend werd, gaat het dan ook om situaties waarin een reëel risico op willekeurig geweld als gevolg van een gewapend conflict (dus schade onder c) supra werd vastgesteld.

Het Belgisch recht is van toepassing op de meeste aspecten van het leven in België. Sommige wetten uit het land van herkomst (wetten van het land waarvan de vreemdeling de nationaliteit bezit) blijven echter van kracht, specifiek wat de ‘persoonlijke status’ betreft (waaronder o.m. de meerderjarigheid of de geldigheidsvereisten van een huwelijk dat in België werd gesloten).

De subsidiaire beschermingsstatus geldt voor één jaar, verlengbaar naargelang de situatie in het thuisland. Voor de beëindiging of opheffing van de subsidiaire beschermingsstatus zijn principieel dezelfde regels van kracht als deze van toepassing op de vluchtelingenstatus.

Migratie

A. Legale migratie

Binnen de Europese Unie geldt een vrij verkeer van personen waardoor de verblijfsreglementering voor EU-burgers veel soepeler is dan die voor onderdanen van andere landen. Dit vrij verkeer geldt ook voor de landen van de Europese Economische Ruimte (EER): naast de EU-landen zijn dat Noorwegen, IJsland en Liechtenstein.

Elke burger van de Europese Unie heeft het recht in België te verblijven voor een periode van maximum drie maanden, ongeacht de reden van het verblijf (bijvoorbeeld toerisme, familiebezoek, beroepsredenen) en na het vervullen van een minimum aan formaliteiten. Het verblijfsrecht van korte duur (90 dagen) zonder visumplicht is ook van toepassing voor personen (derdelanders) die afkomstig zijn uit de landen die voorkomen op de lijst in bijlage II bij de Europese verordening EG nr. 539/2001 van 15 maart 2001.

Wie als buitenlander langer dan drie maanden in België wil verblijven, dient zich binnen de acht dagen na aankomst te melden bij de gemeente waar hij of zij verblijft en er zich te laten inschrijven in de bevolkingsregisters met opgave van een reëel woonadres (domicilie).

Burgers van alle landen buiten de Europese Unie, IJsland, Monaco, Noorwegen, Liechtenstein en Zwitserland die langer dan drie maanden in België willen verblijven, zijn onderworpen aan de visumplicht. Ze moeten voorafgaandelijk en uitdrukkelijk een visum aanvragen en hebben gekregen in de vorm van een bijzonder soort Schengen-visum (de machtiging voor voorlopig verblijf). De aanvraag moet gebeuren bij de Belgische diplomatieke of consulaire posten in het land waar de visumaanvrager woont. Die sturen de aanvraag dan door naar de Dienst Vreemdelingenzaken (DVZ). De DVZ beslist of de aanvrager aan de voorwaarden voldoet of dat er verder onderzoek nodig is.

Behalve voor de supra aangeduide burgers uit de EER-landen en uit Zwitserland, moeten Belgische werkgevers als ze een buitenlandse werknemer willen tewerkstellen, een arbeidsvergunning en een arbeidskaart aanvragen. Op basis van de arbeidsvergunning kan de buitenlander een verzoek tot het verkrijgen van een visum indienen.

De ‘gezinshereniger’ is de persoon die in België verblijft en die zijn recht op gezinsleven inroept. De benaming ‘gezinsmigrant’ slaat op zijn familie die in het buitenland woont en naar België wil komen om de gezinshereniger te vervoegen. Wie een recht op verblijf heeft in België, kan zijn of haar partner en kinderen die in het buitenland wonen, laten overkomen. Daarvoor moet de aanvraag aan een reeks wettelijk vastgestelde voorwaarden voldoen. Vier categorieën van personen mogen zich via gezinshereniging aanmelden:

  • de echtgenoot/echtgenote of geregistreerde partner;
  • de kinderen van minder dan 18 jaar;
  • het gehandicapt meerderjarig kind;
  • de ouders wanneer de aanvraag uitgaat van een niet-begeleide minderjarige vreemdeling (NBMV) die internationale bescherming geniet.

De Europese blauwe kaart (EBK of Blue Card) is binnen de context van de Belgische regelgeving een verblijfstitel die de bezitter en zijn of haar gezin onder bepaalde voorwaarden machtigt tot een verblijf van meer dan drie maanden en die tevens het recht geeft om in België te werken. In dit ene document worden zowel het recht op verblijf als het recht op tewerkstelling geïncorporeerd conform de Europese Richtlijn 2009/50 van 25 mei 2009 betreffende de voorwaarden voor toegang en verblijf van onderdanen van derde landen met het oog op een hooggekwalificeerde baan (in werking getreden in België op 10 september 2012).

De Belgische wet van 18 december 2016 (in B.S. 16 januari 2017 opschrift 24 november 2016) heeft een nieuwe algemene verblijfsvoorwaarde ingevoerd in de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen. Sommige vreemdelingen die gemachtigd of toegelaten zijn tot een verblijf van langer dan 3 maanden in België, zullen voortaan moeten bewijzen dat zij bereid zijn inspanningen te leveren om zich in de Belgische samenleving te integreren. Bovendien dienen zij deze inspanningen effectief aan te tonen.

Deze nieuwe verblijfsvoorwaarde is van toepassing op vreemdelingen die hun verblijfsaanvraag hebben ingediend bij een Belgische diplomatieke of consulaire post of een Belgisch gemeentebestuur na 25 januari 2017, tenzij het doel van hun aanvraag in de lijst staat zoals vermeld in de wet en zij aldus zijn vrijgesteld.

De Dienst Vreemdelingenzaken beoordeelt de inspanningen tot integratie in de Belgische samenleving hoofdzakelijk aan de hand van volgende criteria:

  • het volgen van een inburgeringscursus waarin wordt voorzien door de bevoegde overheid van de hoofdverblijfplaats;
  • een activiteit uitoefenen als werknemer, als ambtenaar of als zelfstandige;
  • een diploma, getuigschrift of bewijs van inschrijving kunnen voorleggen, uitgereikt door een georganiseerde, erkende of gesubsidieerde onderwijsinstelling;
  • een door een bevoegde overheid erkende beroepsopleiding volgen;
  • over de nodige taalkennis beschikken met betrekking tot de plaats van inschrijving in het bevolkings- of vreemdelingenregister;
  • het strafrechtelijk verleden;
  • de actieve deelname aan het verenigingsleven.

Als de Dienst Vreemdelingenzaken vaststelt dat er geen of onvoldoende bewijs bestaat van de integratiebereidheid in de Belgische samenleving, of meent dat er geen redelijke inspanningen tot integratie zijn gedaan, kan hij weigeren de geldigheid van de verblijfskaart te verlengen of kan aan het verblijf een einde worden gemaakt.

Alvorens evenwel deze beslissing te nemen, houdt de Dienst Vreemdelingenzaken rekening met de aard en de hechtheid van de familiebanden in België, de duur van het verblijf, en het bestaan van familiebanden, culturele of sociale banden met het land van herkomst.

Het Federaal Migratiecentrum Myria

Directeur: François De Smet

Myria, het Federaal Centrum voor de analyse van de migratiestromen, de bescherming van de grondrechten van de vreemdelingen en de strijd tegen de mensenhandel, is een onafhankelijke openbare instelling. Myria komt op voor een overheidsbeleid dat steunt op feitenkennis en respect voor de mensenrechten.

Sinds 15 maart 2014 vervult Myria als autonome openbare instelling in alle onafhankelijkheid drie complementaire wettelijke opdrachten:

  • waken over de grondrechten van vreemdelingen;
  • informeren over de aard en de omvang van de migratiestromen;
  • de strijd tegen mensenhandel en mensensmokkel stimuleren.

Myria ziet onder meer erop toe dat de grondrechten worden gerespecteerd van vreemdelingen die worden vastgehouden of in een procedure van verwijdering of terugkeer zitten. Om dat te kunnen doen, heeft het migratiecentrum het recht om de administratieve detentieplaatsen van vreemdelingen te bezoeken (gesloten centra en INAD-centra). Bovendien moet het op de hoogte worden gehouden van de klachten van vreemdelingen bij de Klachtencommissie.

Een verwijdering gebeurt met of zonder escorte. Dat hangt af van het feit of de vreemdeling zich al dan niet verzet tegen zijn of haar vertrek. Een verwijdering mét escorte komt overeen met een gedwongen terugkeer of een repatriëring. De Algemene Inspectie van de federale en lokale politie (AIG) moet controleren of de begeleiders van het escorte geweld of dwang gebruiken.

Uit het in juni 2017 verschenen Myria jaarverslag ‘Migratie in cijfers en in rechten 2017’ en het op 26 juni 2018 door Myria voorgestelde rapport ‘Migratie in cijfers en in rechten 2018: recht op gezinsleven in het gedrang’ blijkt dat in 2016 het aantal mensen van buiten de Europese Unie dat in ons land voor de eerste keer asiel aanvroeg, tegenover 2015 was gedaald van 39.064 naar 14.670, een vermindering met 63%. Daarmee zat België terug op het niveau van voor het piekjaar 2000 toen er een recordaantal van 46.885 aanvragen werd ingediend.

In 2016 kreeg 64% van de asielzoekers wel degelijk internationale of subsidiaire bescherming, een ongekend hoog niveau doordat de laatste jaren veel asielzoekers c.q. migranten uit conflictgebieden kwamen. Net als het jaar voordien werden de meeste aanvragen in 2016 ingediend door Syriërs, Afghanen en Irakezen. Hun proportie is wel sterk verminderd, van 70% van de totale aanvragen in 2015 naar 38% in 2016.

Opvallend was ook de sterke toename van het aantal asielaanvragen van Turkse staatsburgers waardoor het land op de zevende plaats stond in de rangschikking. Die stijging was ook merkbaar in andere EU-lidstaten en was het gevolg van de mislukte staatsgreep in juli 2016.

Zoals België kenden ook vele andere Europese lidstaten een sterke daling van de asielaanvragen. Die is te verklaren door twee belangrijke ontwikkelingen in maart 2016: de sluiting van de westelijke Balkanroute en het akkoord van de Europese Unie (EU) met Turkije over de opvang van vluchtelingen. Daarin is vastgelegd dat de EU alle migranten die illegaal de Egeïsche Zee oversteken naar Griekenland en daar geen asiel krijgen, mag terugsturen. In ruil neemt de EU dan voor iedere Syriër die naar Turkije wordt teruggestuurd, een andere in Turkije geregistreerde Syriër op.

Noot: Voor de financiering van dit ‘Facility For Refugees in Turkey’-programma heeft de EU op 19 maart 2016 aan Turkije een eerste schijf van 3 miljard euro toegezegd (Belgische bijdrage van 70 miljoen euro) en op de Europese top van 28 en 29 juni 2018 te Brussel een tweede en laatste schijf van eveneens 3 miljard euro, na aansporing daartoe van de Europese Commissie op 14 maart 2018. Inmiddels vangt Turkije 3,5 miljoen geregistreerde Syrische vluchtelingen op. Het geld gaat niet naar de Turkse overheid, maar naar humanitaire projecten, het onderwijs en de gezondheidszorg. Zo hebben een half miljoen Syrische kinderen toegang tot onderwijs verkregen. 1,2 miljoen vluchtelingen ontvangen financiële ondersteuning met maandelijkse toelages.

 

Verdeling van de Belgische en de vreemde populatie in België op 1 januari 2017

Verdeling van de immigraties van vreemdelingen volgens de grote regio’s in 2016

Toename van buitenlandse immigratie tussen 2013 en 2015

Aantal asielzoekers (eerste aanvraag) in België voor enkele van de belangrijkste nationaliteiten, 2014-2016

Evolutie van het aantal jaarlijkse beslissingen genomen door het CGVS (vluchtelingenstatus, subsidiaire bescherming, weigering) en percentage positieve beslissingen op basis van dossiers, 2008-2016

Het Agentschap Integratie en Inburgering

Algemeen directeur: Leen Verraes - bevoegd Vlaams minister: Liesbeth Homans

Dit Vlaams overheidsagentschap opgericht op 22 november 2013 als private stichting, staat in voor de uitvoering van het Vlaams beleid inzake inburgering en integratie. Het heeft tot doel mensen van buitenlandse herkomst volwaardig aan de samenleving te laten deelnemen. Het organiseert gratis inburgeringsprogramma’s die bestaan uit:

  • een cursus Nederlands in samenwerking met het volwassenenonderwijs;
  • een cursus (eventueel te volgen in de eigen taal of een taal die de buitenlander begrijpt) over leven in België: werken, wonen, onderwijs, rechten en plichten;
  • begeleiding bij het zoeken naar werk of een opleiding, inclusief hulp bij diplomawaardering;
  • informatie over sport, cultuur en vrije tijd.

Het volledige inburgeringstraject bestaat aldus uit een cursus maatschappelijke oriëntatie (MO), Nederlandse taallessen (NT2), loopbaanoriëntatie (LO) en individuele trajectbegeleiding, inclusief een kwalitatieve en objectieve evaluatie van de behaalde resultaten van de inburgeraars tijdens het verloop ervan.

De inburgeringsprogramma’s houden rekening met de werk- en gezinssituatie van de buitenlander. Het agentschap zorgt ook voor woonbegeleiding en helpt om een school te vinden voor de kinderen. Het leidt gecertificeerde sociaal tolken en vertalers op en stelt ze ter beschikking van voorzieningen, overheden, hulpverleners en ambtenaren. In 2016 heeft het agentschap cursussen georganiseerd in 30 verschillende talen en 10.713 inburgeringsattesten uitgereikt in Vlaanderen en Brussel.

Onafhankelijke juridische dienstverlening is een van de centrale pijlers van het Agentschap Integratie en Inburgering. Zo wil het organisaties, voorzieningen en besturen helpen om het verblijfsrecht, het vreemdelingenrecht en het internationaal familierecht correct toe te passen. Onderwerpen die hierbij aan bod kunnen komen zijn:

  • gezinshereniging, EU-verblijf, asiel en subsidiaire bescherming, regularisatie, arbeidsmigratie, studiemigratie, kort verblijf, uitwijzing;
  • verblijfsdocumenten en inschrijving in het rijksregister;
  • reisdocumenten, recht op terugkeer;
  • arbeids- en beroepskaarten;
  • sociale, medische en andere rechten en plichten naargelang het verblijfsstatuut;
  • verwerving en verlies van de Belgische nationaliteit;
  • legalisatie en vertaling van buitenlandse documenten;
  • familiesituaties met een internationaal aspect.

De ‘Lokale Inburgerings- en Integratiemonitor 2018’ van het Vlaams Agentschap Binnenlands Bestuur komt jammer genoeg tot de vaststelling dat vergeleken met 2016 het aandeel werkzoekenden met een migratieachtergrond (28% van de geregistreerde arbeidsreserve) blijft stijgen in de steden en de Vlaamse Rand, ondanks een significante daling van de algemene Vlaamse werkloosheidscijfers in alle leeftijdsgroepen. De evolutie 2016 - 2018 ziet eruit als volgt: Antwerpen van 63,6% naar 65,5%, Gent van 51,5% naar 53,9%, Mechelen van 53,3% naar 54,6%, Vilvoorde van 61,8% naar 63,9%.

Het grootste probleem is en blijft het opleidingsniveau. In Antwerpen is bijna 70% van de laagopgeleide werklozen van buitenlandse herkomst (meestal niet-EU), in Gent is dat 61,8%. De Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding (VDAB) biedt eveneens opleidingen en taalcoaching aan en stelt arbeidscompetentiebegeleiders ter beschikking om vooral jongeren naar werk te begeleiden, voor zover ze natuurlijk daartoe de nodige wilskracht en inzet demonstreren.

Economische migratie en demografische evolutie

In regeringskringen en onder academici pleiten sommigen voor een georganiseerd systeem van legale economische migratie (onder meer in domeinen als wetenschap, technologie, informatica, e-commerce, digitalisering en robotisering) om aldus de verdere afname van de actieve bevolking in België op te vangen. Die vermindering wordt geschat op 23% tegen 2050.

In het in februari 2018 verschenen rapport ‘Demografische vooruitzichten 2017-2070. Bevolking en huishoudens’ gaat het Federaal Planbureau uit van de projectie dat tot 2070 de internationale immigratie van buitenlanders in België zich stabiliseert op de niveaus die aan het einde van de jaren 2000 werden waargenomen: tussen 120.000 en 140.000 immigranten per jaar. De emigratie van buitenlanders is ook relatief stabiel: tussen 90.000 en 100.000 emigraties per jaar. Volgens het Planbureau is de netto-impact van de internationale migratie van buitenlanders op de demografische groei dus positief: tussen 30.000 en 40.000 bijkomende inwoners per jaar in België, die kunnen worden toegeschreven aan de internationale migratie van buitenlanders. Het internationaal migratiesaldo van Belgen daarentegen is negatief.

De bevolking van België stijgt van 11,3 miljoen inwoners in 2017 tot 13,4 miljoen in 2070. Een toename elk jaar met gemiddeld 40.000 inwoners. De demografische groei op lange termijn is echter minder sterk dan die tijdens de laatste drie decennia. De Belgische bevolking vergrijst. In 2017 telde ze één 67-plusser voor 4 personen tussen 18 en 66 jaar. In 2040 gaat die verhouding naar 1 op 2,6 en blijft dan constant tot 2070. De afhankelijkheidscoëfficiënt van de ouderen stijgt van 26% in 2017 tot 38% in 2040 en tot 39% in 2060. Het babyboomeffect is vooral merkbaar tot 2040 en dooft dan uit.

 

B. Illegale migratie

Landen mogen migranten die zonder geldige papieren aankomen, terugsturen. Om het mogelijk te maken personen die illegaal op Belgisch grondgebied verblijven, en die vaak niet over identiteits- of reisdocumenten beschikken, naar hun land terug te brengen, sluit België met de landen van herkomst overnameovereenkomsten (readmissieakkoorden) af, zowel binnen de Benelux als binnen de Europese Unie (EU). De Federale Overheidsdienst Buitenlandse Zaken (huidig minister Didier Reynders) werkt mee aan de onderhandelingen over dergelijke overeenkomsten en is verantwoordelijk voor de ratificatieprocedure door het parlement.

Personen die illegaal op Belgisch grondgebied verblijven, hebben de keuze tussen een vrijwillige terugkeer en een gedwongen terugkeer, al dan niet onder politiebegeleiding. Bovendien moet het land van terugkeer bereid zijn deze personen opnieuw toe te laten zodra ze zijn geïdentificeerd als een onderdaan. In de meeste gevallen beschikken zij echter niet over identiteits- of reisdocumenten.

Om de terugkeer en de formaliteiten die eraan voorafgaan (identificatie en afgifte van reisdocumenten) te vereenvoudigen, is een optimale samenwerking nodig tussen de Belgische autoriteiten en de diplomatieke vertegenwoordiging van het betreffende land. Daartoe zijn overeenkomsten gesloten tussen de drie landen van de Benelux (België, Nederland en Luxemburg) en een aantal derde landen. Dankzij de toepassingsprotocollen van deze overeenkomsten kunnen de repatriëringsprocedures in overeenstemming worden gebracht. Meer recent werd de Europese Unie gemachtigd dergelijke overeenkomsten af te sluiten, waarbij de Europese desgevallend in de plaats komen van de bestaande Benelux-overeenkomsten.

In maart 2018 heeft staatssecretaris voor Asiel en Migratie Theo Francken cijfers gepresenteerd over het aantal migranten dat in 2017 effectief is teruggestuurd of teruggekeerd. De cijfers geven een beeld van de plaats van uitvoering van de terugkeer (personen die het grondgebied zijn binnengekomen of aan de grens zijn tegengehouden en van daaruit teruggedreven), de gevolgde procedure (gedwongen of vrijwillig) en de wettelijke basis (o.m. bilaterale akkoorden, de Dublinverordening).

Het totale aantal teruggekeerden bedraagt 11.069, waarvan 2.474 al aan de grens zijn teruggedreven en 8.595 effectief van het grondgebied verwijderd. 5.670 van hen waren niet-EU-burgers (zogenaamde 'derdelanders'), een historisch dieptepunt. Daarvan keerden 5.240 (61% van het totaal van 8.595) terug naar een land buiten de EU, in meerderheid het land van herkomst. In 2016 waren dat er nog 6.920 (75%). De overige 39% die het Belgisch grondgebied heeft moeten verlaten (3.355 personen) blijft binnen de EU aangezien het om EU-burgers gaat die verblijfsgerechtigd zijn in een EU-lidstaat. Voor zeven op de tien betrokkenen is de verwijdering op een gedwongen manier gebeurd, dus na opsluiting: 793 EU-burgers, 430 erkende vluchtelingen of andere verblijfsgerechtigden in EU-lidstaten (de categorie 'bilateraal') en 1.107 asielzoekers (overdracht aan een andere EU-lidstaat conform de Dublinverordening). Overigens neemt België jaarlijks ook asielzoekers over van andere EU- lidstaten: 668 in 2015, 414 in 2016 en 701 in 2017.

Tussen 2015 en 2016 is er een beduidende toename van het aantal administratieve aanhoudingen (+20%) van vreemdelingen in irregulier verblijf, sommige nationaliteiten meer dan andere. Dit is bv. het geval bij de Soedanezen (x5), Eritreeërs (x4) en Iraniërs (x3). De opvolging van deze aanhoudingen (laten beschikken, afgifte van een bevel om het grondgebied te verlaten, of opsluiting), varieert sterk naargelang de nationaliteit. Dat heeft met veel factoren te maken, maar de haalbaarheid van een effectieve verwijdering is ongetwijfeld een van de belangrijkste. In de periode 2014-2017 is het budget voor verwijderingen verhoogd met 35%, van 63 miljoen euro naar bijna 85 miljoen euro.

De wet van 24 februari 2017 (aangevuld met de wet van 15 maart 2017 - beide in B.S. 19 april 2017) tot wijziging van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, met het doel de bescherming van de openbare orde en de nationale veiligheid te versterken, heeft verschillende, aparte terugwijzings- en uitzettingsregels gecreëerd, afhankelijk van de verblijfsstatus van de vreemdeling. Er vallen vijf categorieën te onderscheiden, waarvan de derde de meeste reacties uitlokte. Het gaat om onderdanen van derde landen die een langdurige verblijfsstatus genieten, evenals zij die hier al minstens tien jaar lang ononderbroken verblijven. Deze personen kunnen worden uitgewezen om ernstige redenen van openbare orde of nationale veiligheid, in plaats van de normale gewone redenen die op deze terreinen gelden voor andere onderdanen van derde landen. Deze wet laat met andere woorden toe niet-Belgen die ‘een bedreiging vormen voor de openbare orde of nationale veiligheid’ uit te zetten, zelfs al zijn ze niet veroordeeld.

Albanië is het land waar België het vaakst personen naar terugstuurt. Van de 4.503 personen in illegaal verblijf die de DVZ in 2017 repatrieerde, gingen er 556 naar dat Balkanland. Daarna volgen Roemenië met 333 en Marokko met 321. Onder hen veel gedetineerden, waarvan er vorig jaar in totaal 1.622 zijn vrijgelaten uit de gevangenis of een gesloten centrum en nadien het land uitgezet. Het gaat om 1.475 personen die waren veroordeeld, 147 (nog) niet. Het maakt de DVZ niet uit of Justitie hen heeft vrijgelaten onder voorwaarden, met opschorting van straf of op borgtocht, de Vreemdelingenwet wordt toegepast. ‘Als Justitie beslist om iemand voorwaardelijk in vrijheid te stellen, goed wetende dat hij illegaal op ons grondgebied verblijft, treedt de Vreemdelingenwet in werking en wordt hij van het grondgebied verwijderd’ (31/07/2018 - staatssecretaris Theo Francken in De Ochtend op Radio 1). De top tien van in 2017 verwijderde gedetineerden ziet eruit als volgt: Roemenië 310, Marokko 228, Albanië 186, Nederland 114, Algerije 94, Frankrijk 65, Polen 55, Bulgarije en Servië elk 54, Tunesië 34, Georgië 32.

In 2017 heeft België 53 speciale vluchten (special flights) ingelegd om 283 gewelddadige of criminele sans-papiers terug te sturen naar hun land van herkomst. Special flights worden georganiseerd voor personen waarvan het niet mogelijk is ze met een gewone lijnvlucht te repatriëren omdat ze gewelddadig zijn en halsstarrig weigeren te vertrekken of omdat ze zware criminele feiten op hun kerfstok hebben. In 2016 ging het nog om 39 vluchten met 201 illegalen aan boord, een jaar voordien om 25 vluchten met 154 illegalen. Het Europese grensbewakingsagentschap Frontex betaalt tot 80% van de kosten van deze terugkeervluchten. Andere lidstaten kunnen bovendien hun illegale criminelen meesturen op zo'n vlucht én België kan plaatsen op vluchten van andere landen boeken. België organiseert het vaakst speciale vluchten naar Congo en Guinee en neemt het vaakst deel aan vluchten die andere landen inleggen naar Albanië, Afghanistan en Nigeria.

In deze en in een maatschappelijk bredere context hanteert een aantal (dikwijls Brusselse) activistische rechters, parketmagistraten en advocaten (bv. Progress Lawyers Network) van, in de opvatting van de mainstreammedia, links-progressieve signatuur, een ‘zuiver theoretische, sociologische opvatting over misdaad’ (cf. de Britse arts-psychiater Theodore Dalrymple). Ze gaan ervan uit dat crimineel gedrag het natuurlijk gevolg is van kansarmoede en discriminatie, daarom het nodige begrip verdient en niet te bestrijden valt door enkel de wet te handhaven. In hun ogen beschermt het juridisch systeem vooral de bestaande maatschappelijke orde en eigendomsverhoudingen, die ze omwille van de economische ongelijkheid die eruit voortvloeit, beschouwen als structureel criminogeen (tot misdaad of misdrijven stimulerend). Daarom wijzen ze het rechtsbeginsel ‘dura lex sed lex’ van de hand. Dat principe houdt nochtans in dat de wet de norm is die door de wil van het volk (democratisch) tot stand is gekomen en die volgens diezelfde wil dient gerespecteerd, hoe hard of moeilijk dat ook is. De wet is bindend, zelfs indien een strikte interpretatie tot onbillijke gevolgen zou leiden.

De Belgische regering heeft ook de strijd opgevoerd tegen schijnrelaties, waaronder schijnhuwelijken en schijnerkenningen van kinderen. Een schijnhuwelijk is een huwelijk waarbij ‘ondanks de gegeven formele toestemmingen tot het huwelijk, uit een geheel van omstandigheden blijkt dat de intentie van minstens één van de echtgenoten kennelijk niet gericht is op het tot stand brengen van een duurzame levensgemeenschap, maar enkel op het bekomen van een verblijfsrechtelijk voordeel’ (artikel 146bis Burgerlijk Wetboek). Pogingen om een dergelijk huwelijk te sluiten zijn strafbaar.

Een reeds aangegaan huwelijk kan nietig worden verklaard op basis van een vermoeden van schijnhuwelijk. Dat laatste is niet te verwarren met een gedwongen huwelijk (eveneens verboden), een gearrangeerd huwelijk (niet verboden) of een verstandshuwelijk (niet verboden). Wanneer de rechter op definitieve wijze vastgesteld heeft dat een derdelands onderdaan een schijnhuwelijk gesloten heeft, dan kan een later afgegeven bevel om het grondgebied te verlaten, gepaard gaan met een extra lang inreisverbod van maximum vijf jaar.

Recent is het wettelijk kader om schijnrelaties strafbaar te stellen aangescherpt door invoering van de wet van 19 september 2017 tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek, het Gerechtelijk Wetboek, de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen en het Consulair Wetboek met het oog op de strijd tegen de frauduleuze erkenning en houdende diverse bepalingen inzake het onderzoek naar het vaderschap, moederschap en meemoederschap, alsook inzake het schijnhuwelijk en de schijnwettelijke samenwoning. Ook bij een frauduleuze schijnerkenning van kinderen kan de strafrechter aldus de nietigverklaring uitspreken, net zoals bij schijnhuwelijken en schijnwettelijke samenwoning. Op 1 april 2018 is de Wet frauduleuze erkenningen (Wet schijnerkenningen) in werking getreden met o.m. de invoering van het nieuwe artikel 330/1 van het Burgerlijk Wetboek.

C. Het Europees beleid inzake migratie

Tussen 1999 en 2004 zijn een reeks minimumnormen vastgelegd voor de belangrijkste onderdelen van het asielproces. Het gaat hierbij om het zogeheten asielpakket: Dublin- en Eurodac verordeningen, de EU-richtlijn inzake asielprocedure-, kwalificatie- en opvangvoorwaarden en de EU richtlijn tijdelijke bescherming.

Eurodac is een databank voor het opslaan en de analyse van vingerafdrukken van asielzoekers en illegale immigranten. De Dublin-verordeningen (Dublin III van kracht sinds 1 januari 2014 voor de EER-lidstaten en Zwitserland) bepalen dat het eerste land van aankomst van de asielzoeker of het land waarin die persoon al asiel heeft aangevraagd, verantwoordelijk is voor de behandeling van het asielverzoek, tenzij er sterke familiale banden bestaan in een ander land (echtgenoot of minderjarige kinderen die zelf asielzoeker of erkend vluchteling zijn c.q. wettig in dat land verblijven). De EU wil door deze maatregel asielshoppen tegengaan (naar een ander land gaan en daar opnieuw asiel aanvragen). Anders gesteld, als een andere Europese staat verantwoordelijk is, dan kan de asielzoeker aan die staat worden overgedragen en houdt België zich niet meer bezig met het asielverzoek (zie infra).

In het Verdrag van Lissabon van 13 december 2007 (de ‘Europese Grondwet’) hebben de Europese staatshoofden en regeringsleiders (de Europese Raad) zich geëngageerd om voort te werken aan een gemeenschappelijke asielprocedure met een uniforme asielstatus, geldig in de ganse EU. Het volledige asielpakket - met uitzondering van de tijdelijke beschermingsrichtlijn - is daarom opnieuw onderhandeld tussen 2009 en 2013, waarbij de partners niet langer minimumstandaarden nastreefden, maar wel gemeenschappelijke normen.

De Europese Raad van 15 en 16 oktober 2008 hechtte, op voorstel van Frankrijk, zijn goedkeuring aan het Europees pact inzake immigratie en asiel.

Dit pact, waarover de EU-staatshoofden en regeringsleiders een akkoord bereikten, beschrijft op het hoogste niveau het politieke engagement van de Europese Unie en van haar lidstaten tegenover de burgers en tegenover derde landen met het oog op een reëel gemeenschappelijk migratiebeleid. Het Europees pact inzake immigratie en asiel bevat 5 belangrijke verbintenissen voor de lidstaten:

  1. legale immigratie organiseren, rekening houdend met de prioriteiten, behoeften en opvangcapaciteiten die door elke lidstaat zelf worden vastgesteld, en de integratie bevorderen;
  2. illegale immigratie bestrijden, met name door illegale immigranten terug te sturen naar hun land van oorsprong of naar een doorreisland;
  3. de doeltreffendheid van de controles aan de grenzen vergroten;
  4. Europa tot een ruimte van asiel maken;
  5. een algemeen partnerschap opzetten met de landen van oorsprong en de doorreislanden door de synergie tussen migratie en ontwikkeling te bevorderen.

Na jaren van onderhandelen ging medio 2013 het Europees Parlement akkoord met richtlijnen en verordeningen in het Gemeenschappelijk Europees Asielbeleid (GEAS). De meeste EU-lidstaten hebben de overeengekomen maatregelen evenwel nog niet geïmplementeerd in nationale wetgeving. Een gemeenschappelijk Europees asielstelsel is dan ook niet gerealiseerd. In mei 2015 stelde de Europese Commissie voor om via een noodprocedure de massale stroom asielzoekers te herverdelen over heel Europa op basis van quota. Eind mei 2015 ging de Europese Commissie akkoord met het eerste pakket van maatregelen voor het nieuwe immigratiebeleid. Na veel kritiek van de lidstaten werd er uiteindelijk in juli 2015 besloten om hier een vrijwillig systeem van te maken.

Vooral veel Oost-Europese landen zijn fel tegen opgelegde quota. Zij zijn van mening dat het niet aan Europa is om te bepalen hoeveel vluchtelingen zij opnemen. Zuid-Europese landen zijn juist sterk voorstander van het herverdelingssysteem, omdat dit volgens hen eerlijker is en vluchtelingen zo beter kunnen worden opgevangen. De nieuwe regering van Italië heeft inmiddels de Italiaanse havens gesloten voor schepen van niet-gouvernementele organisaties, die asielzoekers en migranten als drenkelingen oppikken op de Middellandse Zee. Malta is Italië daarin gevolgd. Daardoor is Spanje dit jaar het land waar de meeste migranten toekomen (meestal vanuit Marokko), 27.577 in totaal van 1 januari tot 22 augustus 2018. Dat is meer dan in heel 2017 en veel meer dan in Italië of Griekenland.

Op 19 juli 2018 stelde de Europese Commissie enkele plannen voor waarmee ze komaf wil maken met de migratieproblematiek van de afgelopen jaren. Op de Europese top van 28 juni 2018 te Brussel heeft de Commissie immers van de achtentwintig regeringsleiders en staatshoofden het mandaat gekregen om verscheidene pistes te onderzoeken. Zo is o.m. gevraagd om na te gaan wat de mogelijkheden zijn van ‘regionale ontschepingsplatformen’ buiten de Europese Unie, onder de bevoegdheid van de Verenigde Naties (UNHCR) en van de Internationale Organisatie voor Migratie (IOM - zie infra blz. 30). Bedoeling is dat Europese Search and Rescue operaties of kustwachtpatrouilleboten van Noord-Afrikaanse landen de immigranten al in de internationale of in de respectieve Noord-Afrikaanse territoriale wateren onderscheppen en hen vervolgens overbrengen naar de ontschepingsplatformen, die dan controleren of iemand überhaupt recht heeft op asiel of internationale bescherming. Is dat laatste daadwerkelijk het geval, dan zou er in de toekomst niet langer de garantie bestaan van hervestiging in de Europese Unie. 'Hervestiging is maar een van de mogelijke oplossingen, en die zal niet noodzakelijk in de Unie plaatsvinden', aldus het voorstel van de Commissie. Op te merken valt dat tot nu toe geen enkel stabiel en veilig Noord-Afrikaans land zich bereid heeft getoond aan dit project mee te werken, ondanks de Europese belofte van operationele, financiële en logistieke steun.

De route door het centrale en westelijke Middellandse Zeegebied is sinds enige tijd het meest gebruikte traject richting Europese Unie (EU). Als gevolg hiervan trekt het gros van de migranten uit Noord-Afrika en Afrika bezuiden de Sahara door Marokko, Algerije en vooral Libië, wat in dat land netwerken van mensensmokkelaars en slavenhandelaars heeft doen ontstaan. De EU heeft inmiddels concrete stappen ondernomen om de migratiesituatie in Libië te verbeteren en de diepere oorzaken van migratie in Afrika aan te pakken. Zo heeft de EU via het EU-noodtrustfonds voor Afrika tot dusver 237 miljoen euro vastgelegd voor de financiering van programma's in Libië. Wat het oostelijke Middellandse Zeegebied aangaat (illegale oversteek over de Egeïsche Zee van Turkije naar Griekenland), heeft de EU in maart 2016 aan Turkije 3 miljard euro toegezegd voor de opvang van voornamelijk Syrische oorlogsvluchtelingen. In juni 2018, twee jaar later, zijn de EU-lidstaten overeengekomen hiervoor in principe een tweede schijf van 3 miljard euro vrij te maken (zie supra).

De Belgische top 5 van meest voorkomende nationaliteiten van internationale immigranten in 2015 (leeftijd meestal 18 tot 34) wordt aangevoerd door de Fransen, gevolgd door de Roemenen, Syriërs, Irakezen en Nederlanders. Syriërs halen overigens de top 5 in verschillende EU-15 landen.

Aantal asielaanvragers Europees vergeleken

Totaal aantal eerste asielaanvragers (afgerond tot op 5), aandeel ten opzichte van het totaal aantal aanvragers in de EU15 (in %) en aantal asielaanvragers per 1.000 inwoners, EU15-landen*, 2016

De ‘International Migration Outlook 2018’ van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) is verschenen op 20 juni 2018. Het rapport toont aan dat in 2017 de USA met 329.800 aanvragen de populairste bestemming waren voor asielzoekers in de westerse wereld. Voor het eerst sinds 2013 is niet langer Duitsland (198.260) het bestemmingsland bij uitstek. Ook Australië (+29%) en Canada (+112%) kenden een opvallende stijging van het aantal asielaanvragen.

In totaal hebben de OESO-landen in 2017 iets meer dan 5 miljoen nieuwe, permanente en legale migranten ontvangen. Dat is een lichte daling met 5% tegenover 2016. Na twee jaar van recordaantallen asielaanvragen vertoonde 2017 een duidelijke daling met 1,23 miljoen aanvragen. De top drie landen van herkomst waren Afghanistan, Syrië en Irak.

Gezinsmigratie is goed voor 40% van de permanente immigratie, waarmee dat het belangrijkste migratiekanaal is. Bij de tijdelijke migratie noteerden de OESO-lidstaten in 2016 meer dan 4,2 miljoen werknemers, 11% meer dan het jaar voordien. 3,3 miljoen buitenlandse studenten werden ingeschreven in het hoger onderwijs, 8 % meer dan in 2015. De tewerkstellingsgraad van migranten in de OESO nam in 2017 met een procentpunt toe tot 67,1%. Nog volgens het rapport zal de impact op de arbeidsmarkt door erkende vluchtelingen erg beperkt zijn.

Wat het terugkeerbeleid conform de Dublinprocedure aangaat, stuurde België volgens gegevens van de DVZ vorig jaar 1.054 personen terug op een totaal van 5.346 aanvragen bij het land waar de asielzoeker het eerst Europa (EER) was binnengekomen (zie infra). In 3.882 gevallen verkreeg België daarvoor effectief de toestemming, maar slechts bij ruim een derde kwam het tot een overdracht. Die mensen zijn effectief vastgehouden in een gesloten centrum en daarna gedwongen uitgezet naar het land waar ze hun procedure dienen te doorlopen. Door plaatsgebrek kan niet elke asielzoeker in een gesloten centrum verblijven en krijgen veel mensen enkel een bevel om zich op een bepaalde dag op een bepaalde plaats in het buitenland aan te melden. De uitkomst is vaak dat die asielzoekers ondergronds gaan en een illegaal bestaan uitbouwen. Zes op de tien negeren het bevel om het grondgebied te verlaten.

Tegenover de een op vijf effectieve uitzettingen plaatst België een op tien terugnames uit andere landen. 'Dublin' blijkt overigens in heel Europa vaak dode letter te blijven. Duitsland slaagde er vorig in maar 5,6% van de asielzoekers voor wie het een Dublinclaim indiende, inderdaad uit te zetten. Dat blijkt uit de cijfers van het Europees statistisch bureau Eurostat. In de andere buurlanden Frankrijk en Nederland is dat respectievelijk 5,1 en 23,1%. Omgekeerd aanvaardde Duitsland vorig jaar maar 27 % van de Dublin-claims die het zelf binnenkreeg, Frankrijk 26,4% en Nederland 12,5%.

Het valt op dat de statistieken gepubliceerd door de verschillende instanties dikwijls verschillen (zowel naar gegevens en resultaat als naar in aanmerking genomen periodes), weliswaar niet wezenlijk of hinderlijk voor een relevant overzicht. Blijkbaar hanteren ze op een aantal punten verschillende parameters of invalshoeken. Meer eenduidigheid is wenselijk.

De situatie op het terrein in België

De vluchtelingenstroom naar België is na de grote asielcrisis in 2015 onder controle, maar blijft op een hoog peil. Dat komt naar voren uit de cijfers over 2017 van het Commissariaat voor de Vluchtelingen en Staatlozen (CGVS).

In totaal dienden vorig jaar 19.688 personen een asielaanvraag in bij de Dienst Vreemdelingenzaken. Dat is ruim de helft minder dan in het crisisjaar 2015 waarin een record te noteren viel van 44.760 asielaanvragen. Tegenover de 18.710 aanvragen van 2016 gaat het om een lichte stijging van 5%. Niettemin vroegen vorig jaar minder mensen dan in 2016 asiel aan op Belgisch grondgebied. In het kader van hervestiging vloog de regering in 2017 immers 1.309 mensen over van vluchtelingenkampen in een conflictgebied tegenover slechts 452 in 2016. Daarnaast kwamen 842 mensen vanuit Griekenland en Italië naar België als gevolg van de relocatie voorzien in het spreidingsplan van de Europese Commissie. Het jaar daarvoor waren dat er 200. Daardoor waren er vorig jaar slechts 17.537 echte asielaanvragen, tegenover 18.710 in 2016.

De cijfers reflecteren de aanpak die staatssecretaris voor Asiel en Migratie Theo Francken voorstaat. Hij wil mensen via legale routes naar België brengen, in plaats van dat ze illegaal Europa binnenkomen om zich hier bij de asielautoriteit aan te melden. Tegenover 15.478 asielzoekers in het recordjaar 2016, kregen in 2017 finaal 13.833 asielzoekers de status van vluchteling of van subsidiaire bescherming (50,7% van de CGVS-eindbeslissingen). Dat cijfer is inclusief minderjarige kinderen die hun ouders vergezellen, maar exclusief de volgmigratie, zoals via gezinshereniging.

De jaarcijfers van het CGVS laten zien dat de instroom van het aantal echte vluchtelingen is gestegen. Sinds 2015 krijgt ongeveer de helft van alle asielzoekers een positief antwoord op hun verzoek tot internationale bescherming. In 2012 was dat nog maar 22%, wat toont dat velen toen economische gelukzoekers uit arme, maar veilige landen waren. De helft van de mensen die vorig jaar erkend zijn als vluchteling of een subsidiaire beschermingsstatus zijn toegekend, kwam uit Syrië, Afghanistan en Irak. In de voorbije 3 jaar verleende het CGVS-bescherming aan 40.094 personen. Recente cijfers (mei 2018) vermelden een beschermingspercentage van 58,2% (tegenover 60,7% in 2015).

Statistieken van de DVZ tonen aan dat vorig jaar 52.066 vreemdelingen een verblijfsvergunning kregen in het kader van gezinshereniging van partner en/of (minderjarige) kinderen met een gezinslid dat in België woont. Daarvan waren er 6.951 familieleden van vluchtelingen, bijna 1.400 meer dan in 2016. Het gaat voornamelijk om Syriërs (2.469), Irakezen (1.298) en Afghanen (690). In deze cijfers zitten ook de kinderen van vluchtelingen die intussen in België zijn geboren. In 2017 ging het om 1.844 kinderen.

Voor een overzicht en commentaar bij bovenstaande tabellen verwijzen we  onder meer naar de in mei van dit jaar verschenen ‘Vlaamse Migratie- en Integratiemonitor 2018’ van het Vlaams Agentschap Binnenlands Bestuur. Het gaat om de derde editie van een periodiek rapport dat administratieve en andere statistische gegevens over migratie- en integratieprocessen van vreemdelingen en personen van buitenlandse herkomst in Vlaanderen bundelt en duidt, binnen een Belgisch en Europees kader. ‘Vlaanderen wordt gekenmerkt door een groeiende diversiteit. Niet alleen stijgt het aantal vreemdelingen en personen van buitenlandse herkomst, ook de interne verscheidenheid bij deze groepen neemt toe. Migratie en integratie vormen dan ook centrale begrippen in onze huidige maatschappij, zowel voor het beleid, de media, de onderzoekswereld en het middenveld als voor de bredere samenleving’ (citaat uit de inleiding op het rapport).

Wat ten slotte de transitmigranten betreft, daarvan zijn er volgens de DVZ In de eerste zeven maanden van 2018 in totaal 6.431 onderschept in België, waarvan de meesten zeggen te komen uit Eritrea (2.521), Irak (587), Algerije (347), Soedan (347) en Syrië (290). 3.262 keer gaf de DVZ een bevel om het grondgebied te verlaten, 1.154 keer een nieuw bevel aan dezelfde personen. Slechts 490 transmigranten werden in een gesloten centrum ondergebracht, waarvan gemiddeld 8 op de 10 effectief werden gerepatrieerd. Volgens Nicholas Paelinck, korpschef van politiezone Westkust, is het ‘dweilen met de kraan open. Wie wordt opgepakt , wordt de volgende dag weer vrijgelaten. Soms wordt iemand twintig keer opgepakt door dezelfde diensten.’

Waar worden de meeste migranten opgepakt die naar Engeland willen?

Transitmigranten reizen zonder geldig verblijfsrecht in ons land met de bedoeling illegaal, meestal verborgen in vrachtwagens, de oversteek naar het Verenigd Koninkrijk te maken. Hun aantal blijft stijgen. In 2017 zijn 9.347 transmigranten onderschept, in 2016 waren dat er 9.915, meer dan een verdubbeling tegenover de 3.916 in 2015. Bij extrapolatie stevent het aantal voor 2018 op een nieuw record af. Het aandeel van transitmigranten in de groep mensen in illegaal verblijf die de politie tegenhoudt, is ook in opmars. 35% van de in juli tegengehouden illegalen was een transitmigrant, in januari was dat nog maar 27%. In totaal zijn er administratief einde juli 20.512 onderscheppingen geregistreerd van mensen in illegaal verblijf (sans-papiers). Daarin zitten heel wat dubbeltellingen omdat de politie dezelfde transitmigranten dikwijls meerdere keren oppakt bij hun pogingen het Kanaal over te geraken (zie supra).

Voornaamste Europese richtlijnen en verordeningen

  • Asielprocedurerichtlijn 2013/32/EU van 26 juni 2013 betreffende gemeenschappelijke procedures voor de toekenning en intrekking van de internationale bescherming (van toepassing sinds 21 juli 2015). In deze richtlijn is o.m. vastgelegd hoe een asielverzoek wordt ingediend en onderzocht, welke hulp de asielzoeker krijgt, hoe tegen een beslissing beroep kan worden ingesteld en of de persoon in afwachting van een uitspraak op het grondgebied mag blijven, wat er gebeurt wanneer de verzoeker verdwijnt, en hoe meervoudige verzoeken moeten worden behandeld. Op 21 november 2017 is de EU Asielprocedurerichtlijn omgezet naar Belgisch recht.
  • Opvangrichtlijn 2013/33/EU van 26 juni 2013 tot vaststelling van normen voor de opvang van verzoekers om internationale bescherming (van toepassing sinds 21 juli 2015). In de richtlijn is vastgelegd dat asielzoekers toegang moeten krijgen tot huisvesting, levensmiddelen, gezondheidszorg en werk. Bovendien moeten zij medische en psychologische zorg krijgen.
  • Kwalificatierichtlijn asiel 2011/95/EU van 13 december 2011 inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming, en voor de inhoud van de verleende bescherming (van toepassing sinds 21 december 2013). De richtlijn bevat bepalingen die een aantal rechten toekennen op het gebied van bescherming tegen ‘refoulement’, verblijfstitels, reisdocumenten, sociale bijstand, gezondheidszorg en toegang tot werk, onderwijs, huisvesting en integratiefaciliteiten.
  • Terugkeerrichtlijn 2008/115/EG van het Europees parlement en de Raad van 16 december 2008 over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven (van toepassing in België sinds 12 januari 2012). Volgens de richtlijn mogen illegaal verblijvende derdelanders tegen wie een terugkeerbesluit is genomen onder specifieke omstandigheden in bewaring worden genomen. De bewaring kan bijvoorbeeld plaatsvinden bij een gevaar op onderduiken en de bewaring moet zo kort mogelijk duren. Daarnaast zijn er specifieke bepalingen om de rechten van kwetsbare groepen zoals minderjarigen en gezinnen te waarborgen wanneer deze groepen in bewaring worden gehouden.

Vrijwillig teruggekeerden kunnen een beroep doen op de Internationale Organisatie voor Migratie (IOM), een agentschap van de Verenigde Naties (VN) dat hen helpt de draad in hun land van herkomst terug op te pikken (herintegratie). De IOM is als intergouvernementele organisatie opgericht in 1951, heeft haar hoofdkantoor in Genève en stelt ongeveer 9.000 medewerkers tewerk in meer dan 400 kantoren wereldwijd (2016). Sinds 19 september 2016 heeft de IOM zich als ‘related agency’ verbonden aan de VN. Het agentschap participeert in hervestigingsprogramma’s van vluchtelingen, in gezinshereniging en arbeidsmarktintegratie. Daarnaast komt het tussen in de opvang van niet-begeleide minderjarige vreemdelingen (NBMV). De IOM beschikte in 2017 over een budget van 2 miljard US Dollar. De Belgische Ontwikkelingssamenwerking geeft jaarlijks 4 miljoen euro aan de organisatie. Op 30 november 2017 heeft de IOM haar ‘World Migration Report 2018’ voorgesteld.

  • Dublin III-verordening (EU) Nr. 604/2013 van 26 juni 2013 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat door een onderdaan van een derde land of een staatloze bij een van de lidstaten wordt ingediend (herschikking Dublin I en II). Deze verordening is van kracht sinds 1 januari 2014. Uitvoeringsverordening (EU) Nr. 118/2014 van 30 januari 2014 is op 10 februari 2014 in werking getreden. De voornaamste bedoeling is asielshoppen tegen te gaan en rondzwervende asielzoekers (‘refugees in orbit’) te vermijden.

Elke persoon die een asielverzoek indient in één van de 32 landen die de Dublin III-verordening hebben ondertekend (28 EU-lidstaten, Noorwegen, IJsland, Zwitserland en Liechtenstein) dient vingerafdrukken te laten nemen en vragen te beantwoorden over het afgelegde traject.

Daaruit kunnen de autoriteiten in voorkomend geval concluderen dat een andere Dublin III-ondertekenaar verantwoordelijk is voor het onderzoek naar de gegrondheid van de aanvraag tot bescherming. Na formeel verzoek daartoe dient de aangezochte Dublin III-ondertekenaar binnen de twee maanden na ontvangst een antwoord te geven. Weigering om in te gaan op het verzoek om de asielaanvrager over te nemen, is alleen mogelijk als het aangezochte land kan aantonen dat het conform de Dublin III-verordening in casu niet verantwoordelijk is. Het ontbreken van een antwoord binnen de voorziene termijn geldt als een stilzwijgend akkoord.

Na aanvaarding door het aangezochte land, kan het land waar de asielaanvrager zich bevindt een bevel betekenen om het grondgebied te verlaten naar het land dat verantwoordelijk is voor de afhandeling van het verzoek om internationale bescherming en de eventuele verlening van een verblijfstitel. Een bevel om het grondgebied te verlaten, mondt niet noodzakelijk steeds uit in een daadwerkelijke overdracht. Verdwijning, onmogelijkheid van verplaatsing om gezondheidsredenen, een vonnis van de rechtbank kunnen dit verhinderen. Asielzoekers zonder middelen van bestaan hebben in België zonder enige beperking recht op een pro deo-advocaat tijdens de volledige Dublin-procedure.

Intussen circuleert in de EU een voorstel waarbij het land waar een asielzoeker het eerst Europa binnenkomt, verantwoordelijk zou blijven voor de registratie en de asielaanvraag, maar er wel een spreidingsmechanisme zou komen voor landen die aan hun limieten inzake opvang zitten. Om te vermijden dat erkende asielzoekers toch nog verder trekken naar het land van hun keuze, zouden ze minstens acht jaar onder de zorg van het hun toegewezen land dienen te blijven.

Op een bijeenkomst te Madrid op 23 juni 2018 hebben de Franse president Emmanuel Macron en de Spaanse premier Pedro Sánchez gepleit voor gesloten opvangcentra voor asielzoekers en migranten in Europa. Daar zouden ze blijven tot hun asielaanvraag is onderzocht en afgehandeld door de bevoegde autoriteiten. Bij afwijzing dienen de asielzoekers en economische migranten teruggeleid naar hun land van origine en zeker niet naar een transitland. Vandaag bestaan er bijna geen gesloten centra in Europa waar migrantendossiers worden onderzocht, tenzij in enkele centra in Griekenland en Italië beheerd door het Hoog Commissariaat voor de Vluchtelingen van de Verenigde Naties (UNHCR). Het Frans-Spaanse voorstel wil dat initiatief op grote schaal ontplooien.

Op de Europese top van 28 en 29 juni 2018 te Brussel hebben de Europese regeringsleiders uiteindelijk afgesproken in de EU-landen ‘gecontroleerde centra’ op te richten voor migranten. De bedoeling is om hen daar snel te selecteren: economische migranten worden teruggebracht naar een veilig derde land of hun herkomstland, voor vluchtelingen ‘zal het principe van solidariteit van toepassing zijn’, wat neerkomt op spreiding over bereidwillige EU-lidstaten.

Lidstaten die een gecontroleerd (gesloten) centrum openen, zullen vanuit Europa logistieke en operationele steun krijgen. Zij kunnen een beroep doen op asielexperts, veiligheidspersoneel en agenten die gespecialiseerd zijn in het terugbrengen van de economische migranten. De Europese Unie betaalt hun kosten. Zij moeten erover waken dat de selectieprocedure snel en efficiënt verloopt. De Europese Commissie belooft de bereidwillige lidstaten ook een financiële tegemoetkoming: elke asielzoeker of economische migrant die in dergelijk centrum terecht komt, levert het gastland 6.000 euro op. De hoop is om hierdoor vooral Frankrijk, Spanje en Malta aan te zetten een centrum op hun grondgebied op te richten. Italië (vicepremier en minister van Binnenlandse Zaken Matteo Salvini) meent dat het al ruimschoots zijn deel van het werk heeft gedaan: ‘Elke vluchteling kost ons zeker 40.000 euro.’ Datzelfde geldt voor Griekenland (premier Alexis Tsipras) waar op de eilanden ‘hotspots’ zijn opgericht die jammer genoeg tergend traag functioneren in de selectie van de asielzoekers en migranten.

  • Gecombineerde vergunning voor verblijf en arbeid (single permit) - richtlijn 2011/98/EU van 13 december 2011 betreffende één enkele aanvraagprocedure voor een gecombineerde vergunning voor onderdanen van derde landen om te verblijven en te werken op het grondgebied van een lidstaat, alsmede inzake een gemeenschappelijk pakket rechten voor werknemers uit derde landen die legaal in een lidstaat verblijven. De richtlijn maakt het mogelijk dat derdelanders in de sociale zekerheid rechten krijgen die vergelijkbaar zijn met de rechten van EU-burgers.

In de Belgische context is de omzetting van de richtlijn een complexe taak gelet op de bevoegdheidsverdeling tussen de gewesten en de federale overheid wat de buitenlandse werknemers betreft. Een ontwerpsamenwerkingsakkoord tussen de federale staat en de gewesten is door de federale regering goedgekeurd op 8 september 2017. De bedoeling is om de aanvragen bij de respectieve gewesten te centraliseren en zo bij te dragen tot een vereenvoudiging. Zodra de Dienst Vreemdelingenzaken een gunstige beslissing neemt over het verblijf kan de beslissing over beide aspecten worden meegedeeld aan de kandidaat-werknemer en aan de kandidaat-werkgever.

Het European Migration Network

Tijdens de jaarlijkse conferentie over de ontwikkelingen op het gebied van asiel en migratie georganiseerd door het European Migration Network in Tallinn, Estland van 21 tot 22 september 2017, benadrukte staatssecretaris voor Asiel en Migratie Theo Francken dat er een economische war on talent aan de gang is, een strijd om getalenteerde werkkrachten. De grootste uitdaging op het gebied van migratie voor de Europese landen draait dan ook rond arbeidsmarkintegratie. Migratie moet een win-win situatie opleveren, voor zowel de migrant als voor de ontvangende samenleving.

Naast het inperken van passieve migratie van laaggeschoolde derdelanders, is het stimuleren van actieve arbeidsmigratie van hooggeschoolde migranten cruciaal om tot zo’n win-win situatie te komen, volgens Francken: ‘De vergrijzing doet het reservoir aan geschoolde arbeidskrachten immers snel afnemen, terwijl de migranten die via passieve migratiekanalen zoals gezinshereniging, asiel en regularisatie naar ons land en Europa komen, meestal niet over de nodige competenties beschikken om mee te kunnen draaien in onze alsmaar veeleisender kenniseconomie.’

De recentste conferentie van het European Migration Network (EMN) heeft plaatsgevonden te Brussel op 15 mei 2018 met als thema: ‘Understanding Migration in the EU: past, present, future’. Het ‘Annual Report on Migration and Asylum 2017’ van het EMN is die dag voorgesteld samen met het rapport voor de 10e verjaardag van het EMN: ‘Understanding Migration in the European Union. Insights from the European Migration Network 2008-2018’. De coördinatie van het EMN berust bij de Europese Commissie (Directorate General for Migration and Home Affairs - Europees Commissaris Dimitris Avramopoulos).

Het Belgisch EMN contactpunt heeft op 7 augustus 2018 een eigen rapport gepubliceerd over ‘The effectiveness of return in Belgium: challenges and good practices linked to EU rules and standards’.

Daarin staat de vaststelling te lezen (pagina’s 6, 25 en 26) dat er een substantieel verschil bestaat tussen rechtspraak van Nederlandstalige en Franstalige rechtbanken van eerste aanleg, die bevoegd zijn voor beroepsprocedures tegen detentie van illegale derdelanders zonder geldige verblijfstitel in België. Een illegale vreemdeling heeft meer dan twee keer zoveel kans vrijgelaten te worden uit een gesloten detentiecentrum als hij beroep aantekent bij een Franstalige rechtbank eerder dan bij een Nederlandstalige rechtbank (periode 2012-2016). Zie ook infra blz. 20.

Het Belgisch EMN-rapport verwijst ook naar de wet van 19 september 2017 tot wijziging van artikel 39/73-1 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (B.S. 6 november 2017). Die wet heeft tot doel het misbruik van procedure in vreemdelingenzaken tegen te gaan. Vóór haar inwerkingtreding diende proceduremisbruik behandeld in een aparte zitting van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Nu kan dat samen met de beroepsprocedure zelf. Ook zullen de betrokken advocaten in voorkomend geval een sanctie kunnen krijgen. Voor hun onrechtmatig instellen van beroep zullen zij geen pro deo-betaling meer ontvangen en veroordelingen voor proceduremisbruik worden voorgelegd aan de stafhouder die een tuchtprocedure kan opstarten.

De rol van de FOD Buitenlandse Zaken

De FOD Buitenlandse Zaken beoogt binnen het Europees regelgevend kader richtsnoeren te formuleren en te superviseren inzake het beheer, de bevordering, de ontwikkeling en de coördinatie van het Belgisch buitenlands beleid op het gebied van immigratie, de strijd tegen de mensenhandel en de link tussen enerzijds migratie en anderzijds ontwikkelingssamenwerking.

Noch in Europa, noch in België, noch in Vlaanderen is er een draagvlak voor een Willkommenskultur (opengrenzenbeleid) inzake asiel en migratie. De instroom dient dan ook beperkt. Al in 2013 hebben informatie-, preventie- en ontradingscampagnes plaatsgevonden in Armenië, Rusland, Senegal, Guinee, de Democratische Republiek Congo en Kosovo. In 2014 werden er gelijkaardige campagnes georganiseerd in Armenië, Guinee, Senegal, Rusland en Kameroen. In 2015 ging het om Albanië, Marokko, Nigeria en Brazilië. De campagnes in Nigeria en Brazilië bevatten een groot luik preventie van mensenhandel. Memoranda van overeenstemming over migratie en terugkeer zijn ondertekend met Kameroen (1 februari 2017), Marokko (2016) en Somalië (2016).

Overigens, waarom neemt het aantal asielzoekers en migranten uit sub-Saharaans Afrika steeds meer toe? In zijn opiniebijdrage Paleis der Natie in De Tijd van 6 januari 2018 geeft Rik Van Cauwelaert een antwoord: ‘Het hazengedrag van de Europese Afrikadiplomatie steekt schril af bij het optreden van de Verenigde Staten… Niets staat de Europese Unie in de weg om het Amerikaanse voorbeeld te volgen en de Afrikaanse en andere dictators op droog zaad te zetten. Maar zo te zien verkiezen de mercantiele Europeanen het zakendoen met de Afrikaanse potentaten. Sommigen zijn zelfs bereid hen de touwen te verkopen waarmee ze hun opposanten opknopen.’

Afrika en mensensmokkel

Over de economische relaties tussen Europa en Afrika neemt de Zambiaans-Amerikaanse econome Dambisa Moyo in een interview verschenen in Knack van 1 augustus 2018, enkele opmerkelijke standpunten in:

  • ‘Westerlingen schijnen niet te begrijpen dat al die migranten reageren op het instorten van de economie in hun landen van herkomst. Westerse regeringen hebben hun markten gesloten voor landbouwproducten. Door het Europese systeem van landbouwsubsidies ontzegt de EU Afrikaanse en Zuid-Amerikaanse landen de facto de kans om hun landbouwproducten uit te voeren naar het Westen. Dat betekent dat in al die landen er enorme aantallen landbouwers zijn die geen werk hebben. Daardoor kan de plaatselijke overheid geen belastingen heffen, waardoor ze geen goed onderwijs of gezondheidszorg kan organiseren.' 
  • 'Tegen 2070 zal 40% van de wereldbevolking in Afrika leven.' 'Er is de voorbije eeuw al meer dan 1.000 miljard dollar aan hulp naar Afrika gegaan, en toch zijn zowat alle landen in Afrika nog steeds straatarm. Ontwikkelingshulp is al 50 jaar lang één grote mislukking.'
  • 'Over 50 jaar zal China absoluut dominant zijn. Het Chinese systeem is erin geslaagd honderden miljoenen mensen uit de bittere armoede te halen. Ik weet niet of het westerse model daar tegenop kan.' Noot: het McKinsey-rapport Dance of the lions and dragons (28 juni 2017) toont aan dat China de jongste jaren de eerste economische partner van Afrika is geworden. Inzake hulp blijft de EU veruit de grootste. Een paradox?
  • 'Als Europa zijn economische motor niet opnieuw aan de praat krijgt, is zijn maatschappijmodel ten dode opgeschreven.'
  • ‘De grootste vijand van groei en democratie is kortzichtigheid, gedrag dat langetermijnvisie en overeenstemmende maatregelen opoffert aan kortetermijnwinst en onmiddellijke beloning.’

Dambisa F. Moyo is doctor in de economie (Oxford University), master of public administration (Harvard University - Kennedy School of Government) en houder van een MBA in Finance (American University Washington). Ze was van 1993 tot 1995 consultant bij de Wereldbank en van 2001 tot 2008 actief als econome bij Goldman Sachs (Head of Economic Research and Strategy for Sub-Saharan Africa). Ze is auteur van o.m. Doodlopende Hulp (Dead Aid - 2009), De Ondergang van het Westen (2011), De groeihonger van China (2012) en Edge of Chaos: Why Democracy Is Failing to Deliver Economic Growth - and How to Fix It (2018) waarin ze een provocerend, radicaal en elitair pleidooi houdt om in een liberaal-democratisch staatsbestel meer politiek gewicht toe te kennen aan meritocratie (een samenleving waarin prestaties, capaciteiten en expertise de sociale status van het individu bepalen). Als bestuursvorm impliceert meritocratie een politieke elite die aan de macht is op basis van de som van individuele verdiensten.

Om de migratiestromen te stoppen (naar verwachting 20 miljoen Afrikanen in de komende jaren) en geweigerde asielzoekers te laten terugnemen, promoot de Duitse bondskanselier Angela Merkel sinds begin 2017 een marshallplan voor Afrika, een door de Europese Unie opgezet en gesponsord fonds van 44 miljard euro voor economische groei met investeringen in energie, transport, geneeskunde, landbouw en duurzame ontwikkeling, onderwijs en ondernemerschap. Het bestaande EU Trust Fund for Africa (opgericht in 2015) omvat 3,4 miljard euro (te verdelen over 22 geselecteerde landen) waarvan 3 miljard euro afkomstig is uit ontwikkelingssamenwerking. Daarvan gaat 22% naar het beheren van migratie, vooral in de doorreislanden Mali en Niger, een knooppunt in de migratieroutes dat claimt een miljard euro nodig te hebben om illegale migratie naar Europa tegen te gaan. De EU zet in haar ‘migratiepartnerschappen’ ook in op de terugname van vluchtelingen. Dat lukt niet bijster goed omdat de ‘remittances’, het geld dat migranten terugsturen naar hun herkomstland, een belangrijke geldbron is voor Afrikaanse landen (in Liberia goed voor 26% van het nationaal inkomen). Gezinnen met migranten kunnen hun kinderen een betere opleiding bezorgen en langs de migratie komt ook kennis het land binnen.

Net als Dambisa Moyo heeft ook Michael Clemens, voormalig docent aan Harvard University (2001-2002) en Georgetown University (2003-2010), vandaag onderzoeksleider bij het Center for Global Development (CGD) in Washington en het IZA-instituut voor Arbeidseconomie in Bonn, grote twijfels bij een aanpak type marshallplan. Hij waarschuwt dat hulp aan Afrika juist leidt tot meer migratie. ‘Voor de meeste mensen is dat contra-intuïtief.’ Clemens komt tot die conclusie na uitgebreid literatuuronderzoek. ‘Emigratie uit de middeninkomenslanden is in het algemeen veel hoger dan uit de arme landen’, zegt Clemens (De Standaard 25 juni 2018). ‘In die landen moedigt groei migratie eerder aan dan het die afremt. Door groei krijgen mensen meer internationale contacten, een betere opleiding en hogere aspiraties. Er is geen enkel bewijs dat het stimuleren van groei, hulp, overdracht van technologie of uitbreiding van de handel leidt tot het afremmen van migratie. Integendeel.’ ‘De echte vraag is of er sprake is van georganiseerde emigratie van geschoolde mensen of van een ongeregeld proces en de komst van ongeschoolde mensen.’

In dit verhaal spelen mensensmokkelaars een cruciale rol. Ze spelen in op het sociaal-economisch profiel van de migranten, die niet tot de allerarmsten behoren, maar tot de lagere middenklasse met een levensstandaard die het mogelijk maakt soms tienduizenden euro’s te betalen voor de gevaarlijke overtocht naar Europa of daarvoor schulden aan te gaan. Een weloverwogen en risicobewuste keuze. In hun modus operandi houden mensensmokkelaars rekening met financiële draagkracht, nationaliteit en burgerlijke staat van hun ‘klanten’. Ze geven zelfs gezinskortingen. Ze raden economische migranten aan zich voor te doen als asielzoekers om zo gemakkelijker toegang te krijgen tot Europa en hun voorkeurland van bestemming. Ze sturen niet-begeleide minderjarigen voorop om gemakkelijker gezinshereniging tot stand te brengen in het opvangland. Volgens de Europese politiedienst Europol opereren de mensensmokkelaars net zoals normale reisbureaus, inclusief fysieke kantoren in de thuislanden. Ze doen aan marketing via affiches in het straatbeeld en zijn aanwezig op sociale media.

De smokkelaarsbendes zijn niet strak hiërarchisch georganiseerd, ze zijn meestal samengesteld uit kleine vaste cellen met kopstukken die verborgen blijven en voetvolk actief op het terrein: ronselaars, chauffeurs, veiligheidsagenten, gidsen, vervalsers, bewakers in safehouses en schuldontvangers langs ondergrondse betaalcircuits. Ze doen frequent een beroep op freelancebankiers die handelen via geldtransferagentschappen zoals Western Union of de Hawala, een in de Arabische wereld veelgebruikt systeem dat draait op een netwerk van vertrouwenspersonen. Het voordeel daarvan is dat de geldstromen niet fysiek verschuiven, waardoor de politiediensten ze moeilijk kunnen traceren. Er zijn ook informatici in dienst die de kopstukken van de bendes onzichtbaar maken via honderden simkaarten en versleutelde onlinecommunicatie. Georganiseerde misdaadstructuren houden jaarlijks 100 miljoen euro of meer over aan mensensmokkel.

In 2016 traceerde Europol 17.000 smokkelaars via Facebook (zie het jaarverslag 2017 van het federale migratiecentrum Myria). Alles is te koop: smokkeltrajecten, valse of echte reisdocumenten, visa en schijnhuwelijken. De smokkelaars bieden informatie over tarieven, transportmethode (inclusief aanwezige ngo-schepen), succesratio, wachttijden, asielprocedures en regels voor gezinshereniging, ondergronds werkaanbod in het bestemmingsland (waarbij het Verenigd Koninkrijk de voorkeur geniet omwille van de lakse controle op de arbeidsmarkt en het ontbreken van nationale identiteitspapieren). Ondersteund door promotiefilmpjes van tevreden klanten die arriveren op de Europese kust (met duimpjes omhoog). Negatieve publiciteit (verhalen dat bij de overtocht van de Middellandse Zee veel mensen verdrinken) counteren ze op Instagram met beelden van cruiseschepen en vrolijke migranten die van stad tot stad door Europa trekken als waren ze op citytrip. Er bestaan websites om prijzen, smokkelroutes en bestemmingslanden te vergelijken. Daarop zijn ook positieve commentaren te vinden, frequently asked questions en zelfs liveblogs van reizende migranten. Wie alleen reist, doet een beroep op WhatsApp-chatgroepen die elkaar permanent op de hoogte houden van veilige routes of de meest betrouwbare smokkelaars (zie artikel ‘De Engelandroute van de NV mensensmokkel’ in De Tijd van 17 februari 2018).

Slotbeschouwingen

Louis Tobback, voormalig minister van Binnenlandse Zaken (van 1988 tot 1994 en in 1998), minister van Staat, éminence grise van de Vlaamse socialisten, deed eind 1995 in het boek ‘Zwart op wit’ de legendarische uitspraak ‘Diegenen die misbruik maken van de asielprocedure en hier als meeuwen op een stort komen zitten omdat dat makkelijker is dan thuis te vissen of de grond te verbouwen, dienen systematisch uitgewezen te worden.’

Zo scherp heeft Theo Francken de problematiek nog niet geformuleerd of getwitterd. Toch worden hij en vooral zijn communicatie geviseerd. We horen veel hoogdravende retoriek over stigmatiseren en polariseren, veel vooroordelen (xenofobie, racisme, discriminatie), weinig concrete voorstellen tot oplossing. Weinig duiding ook bij het stringent wettelijk kader waarin de staatssecretaris dient te functioneren. Merkwaardig is het daarbij vast te stellen dat de toestroom in België van vreemdelingen onder de regering-Michel 7% hoger ligt dan onder de regering-Di Rupo, gemiddeld 134.706 tegenover 125.087 per jaar. Zo onmenselijk is het beleid van de regering dan blijkbaar ook weer niet.

Intussen heeft Theo Francken over de hele kwestie samen met Joren Vermeersch een boek geschreven onder de titel ‘Continent zonder grens’. Daarin bespreekt hij de drijfveren achter de ‘lange mars op Europa’, die honderdduizenden jonge mannen uit Afrika, het Midden-Oosten en Centraal-Azië elk jaar opnieuw ondernemen. Een mars die sinds de migratiecrisis van 2015 helemaal uit de hand is gelopen. Theo Francken fileert de passiviteit die het traditionele establishment daartegenover plaatst, de achterkamerpolitiek van de Europese Raden en de mechanismen van de mensensmokkelindustrie. Hij belicht de getormenteerde geschiedenis van Europa en de morele complexen van onze eigen westerse maatschappij. Het boek is uitgegeven bij Doorbraak en verschijnt op 28 september 2018. In 2011 publiceerde Theo Francken samen met Sarah Smeyers al bij het Davidsfonds het boek ‘Land zonder grens’ over het Belgische migratiebeleid.

Intrinsiek gaat het niet om sympathie of antipathie voor de staatssecretaris voor Asiel en Migratie. Het gaat erom dat het juridisch kluwen van internationale verdragen en rechtspraak in combinatie met de gebruikelijke Belgische politieke spelletjes, het vrijwel onmogelijk maakt een coherent beleid te voeren om in een stadspark of aan een treinstation rondzwervende Afrikanen, uitgeprocedeerde asielzoekers en sans-papiers uit de Maghreb-landen op te pakken, ze onder te brengen in gesloten opvangcentra (‘ankercentra’ voor de semantiek) en uiteindelijk effectief terug te sturen naar hun land van herkomst of naar het land waar ze het eerst Europa zijn binnengekomen. Een bevel om het land te verlaten volstaat niet, dat papiertje waait weg in de wind. Uitzetting dient consequent plaats te vinden, de mallemolen mag stoppen.

De activistische niet-gouvernementele organisaties (ngo's) maken gebruik van de rechtsonzekerheid om elke terugkeer van illegale economische (trans)migranten tegen te werken. Daardoor stimuleren ze agressie en conflict in de samenleving, wat haaks staat op hun humanitaire agenda. Onopzettelijk spelen ze in de kaart van de mensensmokkelaars. De democratie heeft het recht grenzen te stellen aan asiel en migratie. Uit zelfbescherming. De wetten waaraan de modale burger moet voldoen, dienen te gelden voor iedereen ongeacht herkomst of achtergrond. Clandestien in vrachtwagens klimmen met bestemming het Verenigd Koninkrijk, is geen mensenrecht. Als asielzoeker een favoriet land van bestemming uitkiezen al evenmin. Hulpvaardigheid mag niet verblinden. De weg naar de hel is geplaveid met goede bedoelingen.

In een opiniebijdrage verschenen in De Standaard van 13 februari 2016 (de terreuraanslagen in Brussel vonden plaats op 22 maart 2016) stelt moraalfilosoof Prof. em. Etienne Vermeersch (UGent) dat ‘de vraag niet is wat het percentage vluchtelingen is dat Europa economisch gezien aankan, maar welk percentage onze bevolking psychologisch aankan, zonder te evolueren naar allerlei onaanvaardbare houdingen en daden. Het volstaat niet de mensen dan uit te schelden voor racisten of fascisten. Integendeel, zodra het ongenoegen een bepaald peil heeft bereikt, moeten beleidsmensen en journalisten ermee stoppen anderen betweterig te diaboliseren, vertrekkend vanuit hun torenhoog onbevlekt geweten. Ze moeten zoeken naar de wortel van de problemen en zorgvuldig de mogelijkheden tot oplossing afwegen.’ ‘De huidige vluchtelingencrisis is maar een voorbode van wat ons vanuit Afrika te wachten staat, maar ze is toch al voldoende complex om opiniemakers en politici van uiteenlopende landen en stromingen stilaan tot radeloosheid te brengen.’

In een interview in De Tijd van 20 februari 2016 sluit Prof. Europese Studies en publicist Paul Scheffer (Universiteit Tilburg) daarbij aan: 'Het probleem is dat het draagvlak voor migratie bij een bevolking heel snel erodeert als migratie steeds meer het symbool wordt van een wereld die niet onder controle is. Je moet als samenleving zeggen: 'Dit soort arbeidsmigratie willen we, deze gezinshereniging maken we jaarlijks mogelijk en zoveel humanitaire opvang kunnen we aan. En daar stopt het.' Dan kan je een beleid voeren. Dat doen landen als Canada en Australië ook. Dan wordt migratie een gewilde toekomst van een samenleving.’

In zijn essay ‘De exodus en ons geweten’ verschenen op 24 oktober 2015 in NRC Handelsblad en in De Morgen, pleit Paul Scheffer voor een strengere bewaking van de Europese samenleving. Die heeft maar een draagvlak voor een gelimiteerd aantal vluchtelingen en (legale) migranten. Open grenzen zijn naïef. De voorzienbare gevolgen zijn toenemende spanningen en agressie in de samenleving. Juist om genereus te kunnen blijven, hebben we (buiten)grenzen nodig. Mensenrechten zijn universeel, burgerrechten zijn territoriaal. ‘De keuze is duidelijk: onbegrensde opvang tegen de prijs van tweedeling en conflict of begrensde opvang met een waarborg van burgerschap en sociale samenhang.’

Asiel en migratie hebben een wezenlijke menselijke impact niet alleen op de reizigers naar wat zij beschouwen als het land van Kokanje, het land van melk en honing, maar ook op de inwoners van dat land, die weten dat ze hoegenaamd niet in Utopia leven, de ideale staat van Thomas More. De reizigers hebben hun herkomstland zo goed als opgegeven om de vele redenen die in deze nota zijn geschetst. De inwoners van het opvangland van hun kant beschermen hun identiteit, hun normen en waarden, de vrije meningsuiting en de genderdiversiteit, het samenlevingsmodel en de welvaartsstaat waar generaties aan hebben gewerkt, de sociale zekerheid waarvoor decennia is bijgedragen, de ‘checks and balances’. Zij verdedigen hun onvolmaakte democratie waarin de rechtsstaat primeert over religie, waarin naast rechten ook plichten gelden, waarin gelijkheid en verdraagzaamheid geen holle begrippen zijn.

De regeringspolitiek zoals in opdracht vormgegeven door staatssecretaris Theo Francken (zie zijn Algemene Beleidsnota van 19 oktober 2017) is in wezen humaan en rechtvaardig. De meest kwetsbaren blijven welkom. Dat staat evenwel een kordate uitzetting van afgewezen asielzoekers en illegale immigranten niet in de weg. Dat blijkt uit de gegevens geciteerd in deze nota. Francken heeft de verdienste de noodzakelijke wetgevende initiatieven te hebben genomen om achterpoortjes te sluiten en misbruiken tegen te gaan. De immigratieproblematiek is nu eenmaal een complex moreel dilemma, waarvoor geen wonderoplossingen bestaan.

De moeilijkheidsgraad in dit soort dossiers is het noodgedwongen objectiveren van een toestand die vol subjectieve elementen zit (de levensverhalen van de asielzoekers en migranten) waardoor ratio en empathie soms lijnrecht tegenover elkaar komen te staan. Toch is een doordachte en vooruitziende aanpak nodig om oncontroleerbare chaos te vermijden. Elke overheidsbeslissing kan een domino-effect veroorzaken. Mocht bv. België toch vreemdelingen op het grondgebied laten rondzwerven zonder enig geldig verblijfsstatuut, dan ontstaat een aanzuigeffect en dus een bres in de nu al moeizaam tot stand gekomen Europese asiel- en migratiepolitiek, die in de praktijk blijft sputteren.

In zijn boek ‘Het empathisch teveel. Op zoek naar een werkbare onverschilligheid.’ (oktober 2017, De Bezige Bij) houdt moraalfilosoof Prof. Ignaas Devisch (UGent en Arteveldehogeschool) een pleidooi voor onpersoonlijke rechtvaardigheid en solidariteit. Hiermee bedoelt hij een vorm van systemische onpersoonlijkheid en onverschilligheid die precies daardoor ook onvoorwaardelijkheid inhoudt. Deze opstelling vermijdt dat we constant individuele oordelen moeten uitspreken in zaken die het algemene welzijn aangaan. De overheid heeft de plicht om dat soort onverschilligheid als leidraad voor haar handelen te nemen.

Op beleidsniveau is empathie (het inlevingsvermogen in de veronderstelde belevings- en gevoelswereld van anderen) geen goede raadgever, vooral niet wanneer het erop aankomt politieke beslissingen te nemen. Op dat moment komen immers allerlei individuele beperkingen en vooroordelen aan de oppervlakte, die het algemene (en dus onverschillige, onpartijdige) karakter van het beleid ondergraven. Mensen zijn nu eenmaal complexe, ambivalente en niet erg rechtlijnige morele en emotionele wezens. Solidariteit heeft net als het politieke systeem waarin ze past - de democratie - een mate van abstractie en kilte nodig. Een boeiend en uitdagend uitgangspunt van Ignaas Devisch, zeker in het debat over het omgaan met asiel en migratie.

Prof. Etienne Vermeersch heeft op verzoek van staatssecretaris Francken in maart 2016 de nieuwkomersverklaring opgesteld die elke buitenlander die langer dan drie maanden in België wil verblijven, zou dienen te ondertekenen en waarin hij of zij zich ertoe engageert de vrijheid en de persoonlijke integriteit van iedereen te zullen respecteren, met bijzondere aandacht voor de vrijheid van meningsuiting, de vrijheid van vereniging, de vrijheid van eredienst en de vrijheid van beleving van seksuele geaardheid. Met bovendien een verklaring van aanvaarding van de gelijkheid tussen mannen en vrouwen van dezelfde rechten (bv. onderwijs, werk, deelname aan verkiezingen) en plichten (bv. betaling van belastingen). Met dezelfde kansen voor jongens en meisjes, die niet tot een huwelijk mogen worden gedwongen. Het wetsontwerp over de nieuwkomersverklaring is door de plenaire Kamer goedgekeurd op 24 november 2016, de implementatie is gemeenschapsmaterie en laat op zich wachten, enkel in Vlaanderen is er daarvoor animo, niet in Wallonië en Brussel. Voor uitvoering is evenwel een overeenkomst tussen alle gemeenschappen vereist.

Collega-moraalfilosoof Prof. Patrick Loobuyck (UAntwerpen/UGent), auteur van ‘Samenleven met gezond verstand’ (mei 2017, Polis) vindt de nieuwkomersverklaring dan weer onevenwichtig. Hij legt een aantal voorstellen op tafel om de tekst te verbeteren (VRT NWS 06/04/2018), met als doelstelling: ‘Leg ons democratische samenlevingsmodel en de welvaartsstaat uit in het onderwijs.’ ‘De werkzaamheden inzake de nieuwkomersverklaring zouden beter gekoppeld worden aan de discussie over de preambule op de Grondwet die net dezelfde ambitie heeft: de fundamentele vrijheden, principes en spelregels van deze samenleving expliciteren. Zo’n preambule zou dan niet alleen bij inburgering of naturalisatie een rol kunnen spelen, maar ook in het reguliere onderwijs.’ In dat opzicht heeft Patrick Loobuyck twee concrete voorstellen:

  • ‘Vooreerst haal de levensbeschouwelijke vakken uit artikel 24 van de Grondwet (die vakken staan er overigens pas in vermeld sinds 1988) en schrijf in de plaats dat elk kind recht heeft op ‘onderricht in de mensenrechten, in de uitgangspunten van de Belgische liberale rechtsstaat en van het samenleven in diversiteit op basis van grondrechten, vrijheid, gelijkheid, wederkerigheid en solidariteit.’
  • ‘Ten tweede, Vlaamse overheid, formuleer eindtermen burgerschap en democratische geletterdheid. Er is maar één plek waar we alle burgers eens bij ons hebben, en dat is in het onderwijs. Dat we daar kansen laten liggen om de achtergrond en aantrekkelijkheid uit te leggen van ons democratische samenlevingsmodel en de welvaartsstaat zoals we die hier proberen gestalte te geven, is onwijs en nalatig.’

‘Vrijheid vergt incasseringsvermogen ten opzichte van andermans vrijheden; dat vermogen leidt tot tolerantie. En tolerantie leidt tot verantwoordelijk burgerschap.’ ‘Steeds wisselende minderheden die identitaire groepserkenning nastreven, vormen geen solide basis voor een degelijke samenleving of rechtsstaat.’

Bovenstaande citaten komen uit het lezenswaardige boek ‘De Verlichting uit evenwicht? Over normen en waarden, vrije meningsuiting en dominante religies’ (uitgeverij Van Halewijck), waarvoor denktank Itinera in 2016 vier auteurs heeft bijeengebracht: Prof. Leo Neels, Tinneke Beeckman, Prof. Marc De Vos en Ivan Van de Cloot. Het poogt duiding te geven in een debat dat asiel en migratie overstijgt, maar juist daardoor een panoramisch uitzicht biedt op attitudes en standpunten die oplossingen kunnen aanreiken voor een heterogene en soms disruptieve samenleving.

Om de noodzakelijke diversiteit en demografische dynamiek in onze maatschappij te stimuleren, moeten we asiel en migratie in goede banen leiden. Ratio dient te prevaleren over emotie. Mensenrechten zijn niet eenzijdig, ze gelden ook voor de inwoners van de transitlanden en de voorkeurlanden van bestemming van de asielzoekers en migranten. Tegenover een getuigenisethiek die diepe gevoelens van generositeit uitdrukt, dient een bredere verantwoordingsethiek te staan die stoelt op het democratisch maatschappelijk draagvlak (cf. de Duitse socioloog en politiek econoom Max Weber in zijn redevoering ‘Politik als Beruf’, München 1919).

Bijbelvaste naastenliefde en christelijk zondebesef alleen zijn geen wissel op de toekomst. ‘Het idee van universele mensenrechten is al een tijdje in verval. Dat er een moreel model zou bestaan dat de mensheid kan verlossen, is toch vooral een christelijk idee dat samenhangt met missiedrift’ (Ian Buruma, hoofdredacteur New York Review of Books, van 2003 tot 2017 hoogleraar Democratie, Mensenrechten en Journalistiek op Bard College, New York). Deemoedige zelfkastijding en moreel relativisme van links-progressieve of religieus geïnspireerde weldenkenden zijn dikwijls niet meer dan een masker voor zelfgenoegzame morele superioriteit. ‘In het Engels heet dat 'virtue signaling': het pronken met de eigen deugdzaamheid en het gevoel van rechtschapenheid belangrijker vinden dan de grond van de zaak’ (wetenschapsfilosoof Maarten Boudry in een opiniestuk in Knack van 2 juni 2017).

In een interview gepubliceerd in Knack van 8 augustus 2018 antwoordt de Nederlandse professor filosofie Haroon Sheikh (Vrije Universiteit Amsterdam) op de vraag ‘Zijn mensenrechten universeel?’ aan journalist Jeroen Zuallaert: ‘Ze passen bij de conditie van de moderniteit. Een wereld die urbaan is, met een kapitalistische economie, waarin de geletterdheid groeit, brengt een maatschappij voort waar concepten als mensenrechten gemakkelijker ingang vinden. Een van de redenen waarom mensenrechten in zo veel landen gecontesteerd zijn, is net omdat we mensenrechten als een westers product in de markt zetten. Daardoor krijgen mensenrechtenactivisten in China of Turkije al snel het etiket landverrader, omdat mensenrechten als verwestersing worden gezien, en daar zijn die regimes uiterst beducht voor. Mensenrechten werken alleen als ze in de plaatselijke cultuur geworteld zijn… We moeten af van het idee dat mensenrechten een exclusief concept van de westerse wereld zijn.’

In onze relaties met Afrika en het Midden-Oosten dienen we afscheid te nemen van paternalisme, postkoloniale trauma’s, hypocrisie en morele superioriteit, laat staan politieke of militaire interventies. Als Europa een welvarender Afrika wil, moet het met de Afrikaanse landen samenwerken om migratie te regelen. Geen heilloos opengrenzenbeleid, maar afbreken van economische barrières gevormd door invoerheffingen en subsidies. Handel stimuleren in gelijkwaardigheid, niet alleen om de vele bodemrijkdommen van Afrika te exploiteren. Niet uit eigenbelang economische afhankelijkheid in stand houden met hulpprogramma’s, maar autonomie bevorderen door wederzijds winstgevende partnerships. Illusies omvormen tot onderbouwde toekomstverwachtingen. De impact van religie en tradities ondergeschikt maken aan onderwijs en ondernemerschap.

Fake news bestrijd je met nieuwsgierigheid en fact checking. ‘Connecting the dots’. The big picture zoveel mogelijk bij elkaar puzzelen. Onder het motto van de Verlichting, volgens de Duitse filosoof Immanuel Kant: ‘sapere aude’ (durf te weten). Dat was de opzet van deze synthesenota. Of dat gelukt is, dient de lezer zelf uit te maken.

Bronnen: de rapporten en jaarverslagen van bevoegde Belgische c.q. Europese overheidsdiensten en internationale organisaties, opinies en perscommentaren (De Tijd, De Standaard, NRC Handelsblad, Knack, Elsevier Weekblad, Science, The New York Times, The Guardian, VRT NWS).

Bierbeek, 22 augustus 2018 (update van basisnota dd. 13 januari 2018)

Marc Peeters