De toekomst van de Belgische pensioenen

16 mei 2020     door Mark Scholliers

De toekomst van de Belgische pensioenen

Een roeiboot die lek slaat, hoeft niet meteen te zinken. Een stuk hout en enkele spijkers, een prop linnen tot zelfs kauwgom kunnen wonderen doen. Het Belgische wettelijke pensioenstelsel is als die lekgeslagen roeiboot. Allerhande noodingrepen worden toegepast om het pensioenschip drijvende te houden. Gebeurt dit niet, dan is er op termijn geen geld meer en dreigt een verlaging van de wettelijke pensioenen. Daarom worden onder meer de pensioenen van de statutaire ambtenaren aangepakt, het brugpensioen afgebouwd (SWT - stelsel van werkloosheid met bedrijfstoeslag), de wettelijke pensioenleeftijd verhoogd en broedt men op pensioenopbouw via punten. Met deze ingrepen wint de overheid tijd. Ze doen echter niets af aan de vaststelling dat ons pensioenstelsel (overigens ook dat in veel andere Westerse landen) structureel fragiel is, want afhankelijk van een aantal parameters die aan iedere controle ontsnappen (afname van de actieve bevolking, verlenging van de gemiddelde levensduur, automatisering van de productie). De beleidsvoerders weten dit, de bevolking evenzeer en economen roepen het al jaren. Ondanks dit toch wel breed verspreide besef, beweegt er niets fundamenteels.

De hoop was groot dat de Commissie Pensioenhervorming 2020-2040 de basis zou leggen van een daadwerkelijke verandering: een panel topexperten kreeg van toenmalig pensioenminister Alexander De Croo de opdracht een heuse pensioenhervorming voor te bereiden. Dat heeft die Commissie niet gedaan. Het muisje dat ze heeft gebaard, heeft slechts als bedoeling het water slikkende pensioenschip op korte tot middellange termijn niet te laten zinken; een zoveelste pleister op hetzelfde houten been. Want kenschetsend voor wat tot nog toe is gebeurd, is dat beleidsvoerders en door hen aangestelde allerhande commissies tot nog toe niet bereid zijn gevonden buiten het strikte kader van het huidige repartitiestelsel te denken. Het is als iemand die verwacht dat hij lood tot goud kan omsmelten, hoewel hij best weet dat dit niet kan. Niettemin, telkens onderneemt hij koppig een nieuwe poging en is verbaasd dat het resultaat weerom ontgoochelt. Over de financiering van het wettelijk pensioen moet worden nagedacht zonder vooroordelen en zonder beperkingen wat betreft economisch-sociaal kader.

Heb je altijd recht op een pensioen eenvoudigweg omdat je Belg bent? Of moet je voor je pensioen werken? M.a.w. moet je bijdragen betalen om later op het einde van je loopbaan van een pensioen te kunnen genieten? Dit is een diepgravende vraag, die nauw aansluit bij je politieke overtuiging. Iemand met een meer socialiserend gedachtengoed (zie CD&V, Groen en sp.a) zal snel stellen dat het pensioen een basisrecht is. Aan de andere kant van het spectrum staan meer individualistisch geïnspireerdevisies, die ervan uitgaan dat je je pensioen moet ‘verdienen’: immers, voor niets gaat de zon op (zie Open Vld en NVA). Op het eerste gezicht is dit niets anders dan een ideologisch sterk verschillende invalshoek. Dat is ook zo, maar de implicaties van een en ander zijn verrassend. De meer socialiserend gerichte denkwijzen stoelen op solidariteit en gemeenschapszin: we leven onder een grote stolp en iedereen die daaronder zit ademt dezelfde lucht in en heeft dus recht op dezelfde (pensioen)- voordelen. Om het in termen van covid-19 te stellen: je blijft in je Belgisch ‘kot’. Je bent voor of tegen die opvatting, maar als je voor bent, betekent dit automatisch dat je de toegang tot de stolp minstens reguleert. We leven in een geglobaliseerde wereld (zelfs al staat die voorlopig ‘on hold’), maar zonder toegangscontrole kan dergelijk systeem bij gebrek aan financiering niet overleven. In concreto betekent dit op zijn minst een strenge selectie van wie onder de Belgische stolp kan leven.

Met andere woorden, immigratie om welke reden ook dient aan banden gelegd en familiehereniging kan slechts gebeuren indien de (financiële) gevolgen hiervan voor de samenleving onder de stolp draaglijk zijn. Deze gevolgtrekkingen verschillen gevoelig van het discours dat vandaag in linkse kringen populair is: we zijn allemaal mensen van goede wil en iedereen heeft het recht waar dan ook ter wereld geluk na te streven, en dus ook naar België te verhuizen en van alle sociale voordelen hier te lande te genieten. Daarentegen is politiek rechts vandaag tegen ongebreidelde immigratie en zet het daarom in op strenge grenscontroles. Merkwaardigerwijze is een individualiserende pensioenvisie net in tegenspraak hiermee. Als je zelf je pensioenpotje kookt, hang je niet af van overheidspensioenen waarvan de betaling onzeker wordt indien er teveel nieuwe genieters zijn. Dit leidt tot het voor sommigen misschien verrassende besluit dat in een socialiserende pensioenvisie de toegang tot het systeem niet anders dan heel strikt kan zijn, terwijl het net omgekeerd is zo je meer vertrouwen hebt in je eigen kunnen en mogelijkheden dan in die van de overheid.

‘Maar ik heb ook een zwaar beroep!’ Als je de vraag stelt, blijken heel wat mensen hun professionele activiteit als zwaar te omschrijven. Dit op basis van vaak subjectieve invullingen zoals altijd heel vroeg moeten opstaan, zich iedere dag urenlang in de file vastrijden, veel stress ondervinden of grote onzekerheid hebben over zijn of haar baan... Om door de bomen het bos te zien, hebben de sociale partners begin 2018 vastgelegd wat een ‘zwaar beroep’ is. Ze onderscheidden vier criteria: i) fysiek belastend (bouwvakker, groenarbeider...), ii) mentaal belastend (verpleegkundige, leerkracht...), iii) risicovol werk (politieagent, militair...) en iv) banen met een belastend arbeidsregime (bakker, horecapersoneel...). Ter compensatie zouden personen met een zwaar beroep vroeger op pensioen mogen gaan, zonder dat ze op hun pensioen moeten inleveren. Om volgende redenen lijken de soms hoog oplopende discussies rond wat een zwaar beroep is, overdreven. Op de eerste plaats is niemand tot nader order verplicht te kiezen voor het ene of het andere beroep. Daarnaast bestaan nu reeds een aantal (geldelijke) compensaties voor iemand die valt binnen een van de vier hoger gedefinieerde categorieën. Tenslotte zou niet de wettelijke pensioenleeftijd (67 jaar in 2030) bepalend mogen zijn voor het toekomstige pensioen, maar wel de feitelijke duur van de beroepsloopbaan. Als iemand al op zijn 18de als bouwvakker aan de slag gaat, lijkt het logisch dat zijn ‘normale’ loopbaan van actueel 45 jaar eindigt op zijn 63ste. Anderzijds zal een arts na zeven jaar studie en een aantal specialisatiejaren pas op zijn 73ste een ‘normale’ loopbaan van 45 jaar hebben gerealiseerd. Daarom ligt het voor de hand dat er compensatie bestaat voor de periode dat iemand - grotendeels op kosten van de overheid - studeert, zodat hij/zij in dit voorbeeld dus pas 10 jaar later met pensioen kan dan bv. een bouwvakker. Als laatste, maar daarom niet minder belangrijke reden om de discussie rond wat een zwaar beroep is te relativeren, bestaat nu al de mogelijkheid om naarmate de loopbaan vordert, het meer fysiek belastende werk te beperken. In plaats van gevaarlijke, nachtelijke patrouilles uit te voeren, zit de politieman achter een loket. In plaats van op een verpleegeenheid orthopedie immobiele patiënten in en uit bed te tillen, verhuist de verpleegkundige naar een raadpleging. M.a.w. mobiliteit binnen dezelfde functie moet veel meer dan nu het geval is, deel uitmaken van de uitbouw van de loopbaan. 

In het licht van het gedurende tientallen jaren amechtig voortmodderen van de beleidsvoerders rond het veilig stellen van het wettelijk pensioen, is het merkwaardig dat tot nog toe de voorwaarden niet werden opgelijst waaraan een succesvolle pensioenhervorming moet voldoen. Het vraagt vanzelfsprekend minder (politieke) moed om het zoveelste koortsverlagende tabletje toe te dienen dan de zieke te genezen, maar een finale oplossing voor de krakkemikkige financiering van het wettelijke pensioen is zoiets natuurlijk niet. Hoe een nieuw pensioenstelsel er ook moge uitzien, zijn financiële duurzaamheid is van primordiaal belang. Financiert de overheid alles? Of moet de actieve Belg bijdragen? Wordt die bijdrage meteen opgesoupeerd voor het betalen van de pensioenen? Of wordt ze opgepot? Is die pot gemeenschappelijk of geïndividualiseerd? Wie beheert hem en op welke manier? Moet je verschillende fiscaal gestuurde pijlers hebben, of juist niet? Dit zijn maar enkele vragen die aan bod komen wanneer je ten gronde nadenkt over een nieuwe, robuust pensioenstelsel.

Het invoeren van een eenheidspensioen is het begin van iedere oplossing. Dit betekent niet alleen de afschaffing van de huidige drie pensioenstelsels (ambtenaren, werknemers en zelfstandigen), maar tegelijkertijd de integratie van de eerste drie pijlers (wettelijk pensioen, aanvullend pensioen en fiscaal begunstigde extra privé pensioenvorming). Een veralgemeend minimumpensioen bij volledige loopbaan van 1.650 EUR per maand (prijzen van vandaag) is volgens een eerste berekening haalbaar. Aan bestaande rechten wordt niet geraakt, wat impliceert dat de verhoging van de pensioenleeftijd tot op termijn 67 jaar wordt teruggedraaid. De ratio hierachter is dat de overheid niet eenzijdig op vroeger gemaakte afspraken kan terugkomen. Essentieel is dat het nieuwe eenheidspensioen slechts geldt voor iemand die aan het begin van zijn/haar loopbaan staat. Iedereen die vandaag al werkt of gewerkt heeft, blijft dus onder een van de huidige stelsels vallen.

Een minimumpensioen van 1.650 EUR per maand voor een volledige loopbaan? Wie gaat dat betalen? Een gemengde financiering waarbij de overheid via repartitie ‘light’ bv. een derde van het pensioen realiseert en de rest op individuele basis via kapitalisatie gebeurt, verdeelt de financieringsrisico’s. Beide financieringswijzen hebben immers sterke en zwakke punten, zodat een combinatie van beide de financiering van het eenheidspensioen veiliger maakt. Het spreekt vanzelf dat dit voorstel vanuit macro-economisch oogpunt verder in detail moet worden onderbouwd. Indien de uitkomsten de toets van uitvoerige simulaties doorstaan, dient het voorstel zo breed mogelijk worden besproken met de nadruk op de dynamiek van de financiering ervan. Het financiële gewicht van het huidige pensioenstelsel zal stelselmatig afnemen en dat van het nieuwe almaar belangrijker worden. Op basis van een eerste berekening blijken de financieringslasten voor de overheid eerst toe te nemen, waarna de besparingen steeds groter worden. Maar het is een wet van Meden en Perzen dat hoe langer de beschouwde termijn is, hoe waziger de analyseresultaten worden. Bovendien kun je zwarte zwanen nooit vermijden. Vandaag heten ze corona, morgen zal het iets helemaal anders zijn. Daarom zal het hier voorgestelde eenheidspensioen wellicht onder extreme omstandigheden evenmin robuust, solide en ijzersterk zijn. Maar het zal wel veel veerkracht hebben, iets wat het huidige repartitiestelsel niet heeft.

Ons pensioenschip maakt al jaren water en is intussen verworden tot een lappendeken van tijdelijke en gammele oplossingen. Verhogen van de pensioenleeftijd of andere kunstgrepen zoals het invoeren van een pensioen op punten, is niets anders dan wat men in het Duits kurieren am Symptom noemt: in casu, er dreigt geldgebrek, dus bedenkt men een aantal trucs om de volgende jaren door te komen. Daarom is een tabula rasa aanpak de enige juiste. Een eenheidspensioen voor iedereen die aan het begin van zijn loopbaan staat. Transparant, vertrouwenwekkend en onder de auspiciën van alle sociale partners. Dit realiseren is een werk van lange adem en moet opboksen tegen heel wat vastgeroeste denkbeelden en overtuigingen. Echter, het besluit is simpel: zoals we nu bezig zijn, kan niet veel langer. Bovendien zijn de kraters die corona in de overheidsfinanciën heeft geslagen en nog altijd slaat, niet van aard om de problematiek te verlichten. De pensioenapocalyps nadert met rasse schreden.

Mark Scholliers 16/05/2020