Beleggen in tijden van klimaatverandering

04 november 2021     door Mark Scholliers

1. Over lagere en hogere temperaturen

In België waren er de zware overstromingen van juli. In Siberië stond op hetzelfde ogenblik de taiga in brand waardoor de permafrost smolt en nog meer broeikasgassen in de atmosfeer terechtkwamen. Die klimatologische catastrofes zijn symptomen van de lange termijn trend van stijgende wereldtemperaturen, zoals weergegeven op onderstaande grafiek.1

 

De wereldwijde temperatuurstijging gemeten aan de afwijking van het langjarig voortschrijdend gemiddelde, kent een eerste opflakkering rond het einde van de 19de eeuw. Na een periode van afkoeling volgt van 1935 tot 1955 een eerste forse toename. Nadien (1956-1988) is er sprake van stabilisering op een hoger niveau. Sindsdien wordt de positieve afwijking van de langjarige trend almaar groter. Vandaag ligt de temperatuur in België (Ukkel) gemiddeld 2,6°C hoger dan voor de industriële revolutie.2

Beduidende temperatuurschommelingen op lange termijn zijn niet nieuw. De middeleeuwen kenden het Middeleeuwse Optimum, de periode van ongeveer 950 tot 1250 met gemiddelde temperaturen in het noordelijk halfrond nog 0,5 tot 1 graad hoger dan vandaag.3 Daarentegen begon rond 1450 de Kleine IJstijd. Gedurende meer dan 400 jaar was de gemiddelde temperatuur op aarde 0,9 graden koeler dan vandaag. Een gevolg was dat de gletsjers op het Noordelijke halfrond in 1850 hun grootste omvang bereikten sinds het einde van de Grote IJstijd, zo’n tienduizend jaar geleden.4 Aangezien de menselijke impact toentertijd te laag was om aan de basis te liggen van het Middeleeuwse Optimum of van de Kleine IJstijd, is het duidelijk dat klimaatveranderingen eigen patronen volgen. Dat sluit echter niet uit dat de mens niet zelf klimaatveranderingen kan beïnvloeden. Zeker niet wanneer de huidige wereldbevolking ongeveer vijf keer hoger is dan bij het begin van de 20ste eeuw en ze gemiddeld een veel hogere levensstandaard kent, onder meer gekenmerkt door een exponentieel gestegen verbruik van primaire (ijzererts, fossiele brandstoffen, water…) en verwerkte (voeding, papier en karton, plastics…) grondstoffen. Het simpele feit dat de wereld acht miljard bewoners telt die allemaal streven naar meer materiële welvaart, ligt aan de basis van de uitstoot van enorme hoeveelheden broeikasgassen, op de eerste plaats van CO2. De bevestiging hiervan geeft het Intergovernmental Panel on Climate Change (IPCC) in zijn recente evaluatierapport.5 Daarom is op termijn de met voorsprong meest doeltreffende maatregel om de huidige klimaatverandering te temperen, het beperken van de bevolkingsgroei, laat staan het terugdringen ervan.6

De hoofdschuldige voor de huidige opwarming mag de mens zijn, maar wie of wat lag dan aan de basis van de vroegere klimaatschommelingen? Want er is niet alleen de Grote IJstijd, er waren tijdvakken waarin de aarde geen vaste ijsafzetting kende en er op de zuidpool bossen groeiden.7 Dat leidt sommigen ertoe te besluiten dat de huidige opwarming past in een lange termijntrend en bijgevolg slechts gedeeltelijk valt te verklaren door menselijke activiteiten.8 Als oorzaken van klimaatverandering in prehistorische tijden worden onder meer genoemd: veranderingen in de oriëntatie van de aardas en omloopbaan van de aarde, wijzigingen in de kracht van de zonnestraling, langdurige en veelvuldige vulkaanuitbarstingen en wijzigingen in de golfstroom. Een genuanceerd besluit is daarom dat de huidige opwarming van de aarde wellicht voor een deel het gevolg is van een normalisatieproces na de Kleine IJstijd, maar dat de sterke stijging van de CO2 uitstoot sinds het einde van de Tweede Wereldoorlog de klimaatopwarming in een hogere versnelling heeft gezet. Hoe ook, de klimaatopwarming is reëel en heeft een zeer grote impact op de levensomstandigheden van plant, mens en dier. Klimaatcycli van duizenden jaren beïnvloeden, kunnen we niet. Maar wat wel mogelijk is, is de uitstoot van broeikasgassen zwaar beperken zodat de kracht van de klimaatverandering afneemt.

2. Duurzaam beleggen

We hebben bij wijze van inleiding de schijnwerpers gericht op de klimaatverandering. Maar het bestrijden ervan is slechts één van de zeventien brede doelstellingen van de door de Verenigde Naties vastgelegde Social Development Goals (SDG).9 Deze hebben betrekking op zo verschillende domeinen als het bannen van armoede, de algemene beschikbaarheid van drinkbaar water, of nog, het realiseren van de circulaire economie. Vaak wordt op basis van deze SDG gedefinieerd wat sociaal verantwoord of duurzaam beleggen inhoudt. Vertrekkende van een of meerdere van de zeventien SDG wordt een index of een fonds gecreëerd met bedrijven uitsluitend actief binnen deze SDG. Voor de feitelijke selectie staat het begrip ESG centraal. ESG staat voor Environment, Social, Governance. Vooraleer een bedrijf of fonds het label ‘ESG vriendelijk’ kan krijgen, moet het beantwoorden aan strenge eisen op het vlak van respect voor het milieu, de interne sociale verhoudingen en goed bestuur. Hoe beter de ESG score, hoe nauwer het aansluit bij de SDG. Maar je kunt het selectieproces nog verder doortrekken. Zo je niet wilt beleggen in bedrijven of sectoren die zich inlaten met activiteiten die jij als sociaal onverantwoord beschouwt (bv. de productie van wapentuig of het uitbaten van casino’s), dan beleg je uitsluitend in bedrijven die sociaal verantwoorde activiteiten kennen (Socially Responsible Investing - SRI). De ultieme stap is impactbeleggen: beleggen in bedrijven die de voorafgaandelijke bedoeling hebben met hun activiteiten een positief meetbaar effect van sociale of milieuvriendelijke aard te realiseren, zonder hierbij het financiële rendement uit het oog te verliezen.

Duurzaam beleggen is met andere woorden een vlag die een verscheiden lading dekt en waarbij op de koop toe inhoudelijke verschuivingen spelen. Zowat iedereen is het erover eens dat aandelen kopen van bedrijven actief in de productie van rookwaren, moeilijk kan worden omschreven als sociaal verantwoord beleggen. Maar wat indien dergelijke bedrijven werk maken van het afstoten van vervuilende divisies? Een recent voorbeeld hiervan is RD Shell dat zijn schaalolie activiteiten in het Texaanse Permian Basin heeft verkocht en hiermee een belangrijke reductie realiseert van haar CO2 uitstoot.10  Eenvoudige antwoorden bestaan op dit vlak niet: in de echte wereld is er nooit sprake van wit/zwart situaties. Gedreven onder meer door de klimaatverandering, staat ESG beleggen in het middelpunt van de belangstelling, waardoor sommige ESG bedrijven tegen irrealistische koers/winstverhoudingen noteren. In de realiteit zijn er weinig bedrijfsleiders die er niet naar streven milieuvriendelijk te produceren. Een groenere productie is meer en meer synoniem van een efficiëntere productie die de winstgeneratie stuwt. Bovendien vaardigt de overheid op dit gebied almaar dwingender maatregelen uit; denk bv. aan het bannen op termijn van de verbrandingsmotor.

3. ESG labels

We gaan ervan uit dat de trend van ESG/SRI/Impactbeleggen zich de komende jaren nog sterker zal doorzetten. We baseren ons hiervoor op de niet te missen signalen die beleidsvoerders overal op dit vlak geven. In de Europese Unie is er de ‘Green Deal’, in de Verenigde Staten spreekt men van de ‘Green New Deal’ (naar analogie met de New Deal uit de 30er jaren van de vorige eeuw). Ook centrale banken roeren zich. Zo wil de ECB het aandeel van milieuvriendelijke bedrijven in haar programma’s van kwantitatieve versoepeling verhogen. Tenslotte laat ook de rechterlijke macht zich niet onbetuigd. Overheden en bedrijven worden in toenemende mate veroordeeld wanneer ze milieuonvriendelijke regelgeving of activiteiten resp. uitvaardigen dan wel beoefenen.

Duurzaam beleggen betekent dat je niet alleen naar zuiver financiële parameters kijkt (omzet, winstverwachting, dividend…), maar ook aandacht schenkt aan wat men doorgaans zachte waarden noemt (respect voor het milieu, sociaal verantwoord ageren en goed bestuur). Concreet betekent dit dat een beroepsbelegger (bv. de manager van een ETF of actief beheerd fonds) bovenop zijn basisfinanciële vaardigheden, moet beschikken over kennis in deze domeinen. ESG prestatie-indicatoren hebben bv. betrekking op de groei en samenstelling van het personeelsbestand en op die van de raad van bestuur (aantal vrouwen, aantal nationaliteiten…), op de CO2 voetafdruk en op het al of niet ondertekenen van het Global Compact van de Verenigde Naties.11 De veranderde aanpak blijkt uit het volgende voorbeeld. Wanneer de koers van een aandeel onderuit gaat omdat de CEO beschuldigd wordt van grensoverschrijdend gedrag, onderging een fondsmanager die erin had belegd die gang van zaken. Vandaag  zal een fondsmanager in het kader van een ESG aanpak proactief te werk gaan door bv. de personeelsturnover op te nemen in zijn selectiecriteria. Een grotere turnover kan wijzen op ontevreden personeel bv. wegens grensoverschrijdend gedrag. Naast de hoger genoemde criteria, bestaan er nog meer niet-financiële parameters waaraan een professionele belegger aandacht moet besteden in het selectieproces naar ESG vriendelijke bedrijven. In de praktijk is het voor de meeste fondsmanagers niet mogelijk het ESG gehalte van ieder bedrijf na te gaan, zelfs na advisering door interne specialisten. Niet alleen is dat sterk kostenverhogend, maar normalisatie en uniformiteit in het bepalen van het ESG niveau ontbreken. Daarom doen ze een beroep op organisaties die na eigen onderzoek bepalen of een bedrijf duurzaam is of niet en in functie daarvan een label toekennen. Dankzij schaalvergroting en standaardisering is dat een veel efficiëntere werkwijze. In België heet dat label ‘Towards Sustainability’, toegekend door het Central Labelling Agency, een Belgische vzw onder voorzitterschap van Olivier Marquet, voormalig CEO van Triodos Bank. Op 21 april 2021 heeft de Europese Commissie een reeks richtlijnen voorgesteld met betrekking tot de invoering van een Europees groen label.12 In de VSA is het meest gebruikte keurmerk ‘Label R’. Eind 2018 was wereldwijd 30,7 biljoen USD belegd in fondsen met een ESG label, al of niet door de promotor van het fonds zelf toegekend.13

De sterke vraag naar maatschappelijk verantwoorde beleggingen leidt tot mistoestanden. De verleiding om de sticker ‘ESG vriendelijk’ op een bedrijf of fonds te plakken, is soms moeilijk te weerstaan. Die praktijk die greenwashing heet, komt erop neer dat fondsen onterecht dit label gebruiken om zo gemakkelijker beleggers aan te trekken.14 Ook uit de hoek van de fondsenmanagers zelf kwam recent kritiek op de ongebreidelde promotie van duurzame beleggingen.15 Daarom is certificatie door derde partijen, d.w.z. partijen die geen band hebben met de aanbieder van het fonds, een essentiële voorwaarde om beleggers te doen vertrouwen op de ESG eigenschappen van het voorgestelde product. Een van de bekendste partijen op dit vlak is Sustainalytics (een bedrijf uit de Morningstar groep). Op hun webstek kun je voor bijna 14.000 bedrijven de door hen berekende ESG waarde consulteren (https://www.sustainalytics.com/esg-ratings).

Om een financieel product op zijn ESG waarde te schatten, gebruiken partijen als Sustainalytics meestal zes criteria: screening op de aanwezigheid van niet-ESG bedrijven, de ‘beste van de klas’ selectie (in tegenstelling tot benchmarking), selectie op thema, op actief eigenaarschap, op ESG impact en op ESG integratie. In het kader van dit memo zou het ons te ver leiden op die verschillende criteria in te gaan. Van belang is dat wanneer een gereputeerd extern bureau een positief ESG label toekent, je er kunt vanuit gaan dat dit terecht is. Wordt het label door de promotor van het product toegekend, dan is voorzichtigheid op haar plaats.

Je kunt ESG beleggingen op verschillende manieren klasseren, maar de meest gebruikte indeling is die op basis van het beleggingsthema. Voor veel beleggers is dat de evidentste aanpak. Een andere klassering bv. op basis van de rol van het bedrijf in de vergroening van zijn sector, spreekt veel minder aan. Een voorbeeld van thematische onderverdeling is de volgende16:

 

Anderzijds vind je almaar meer fondsen, vooral ETF’s, die op basis van een brede index zoals de EuroStoxx50 of de S&P’s 500, een ESG vriendelijke versie ervan aanbieden. De selecties die we in het volgende hoofdstuk maken, volgen deze dubbele invalshoek.

4. Onze selectie

Volgens Morningstar telt het Europese universum van duurzame actief en passief beheerde fondsen 3.432 namen.17 Sommige zijn nieuwe productlanceringen, maar veel zijn bestaande fondsen die hun beleggingsdoelstelling hebben aangepast of die een nieuwe naam hebben gekregen. De meeste zijn actief beheerd (wat in lijn is met het meer doorgedreven selectieproces), maar het aantal ETF’s neemt snel toe dankzij de ontwikkeling van specifieke ESG benchmarks.

Duurzaam beleggen betekent niet dat je geen opties hebt. Hoe duurzaam wil je beleggen (zie hoger: ESG/SRI/impactbeleggen)? In welke regio’s en/of sectoren? Hoeveel risico wil je nemen? Hoeveel wil je maximaal uitgeven aan instap- en jaarlijkse kosten? Maar ook moet je vooraf voor jezelf de vraag beantwoorden of je actief dan wel passief wilt beleggen. In tegenstelling tot klassieke beleggingen waar een indexbelegging voor veel mensen vaak al een voldoende rendement aflevert, zijn ESG indexfondsen in het nadeel. Dat is het gevolg van de liquiditeitsbehoeften waaraan ETF’s moeten beantwoorden. Ze mogen niet in kleinere, minder liquide aandelen beleggen. Maar activiteiten van dergelijke bedrijven hebben dikwijls net de grootste ESG impact. O.m. hiermee rekening houdend vind je hieronder drie tabellen. De eerste omvat passief beheerde breed beleggende ESG ETF’s, de tweede actief beheerde breed beleggende ESG fondsen, de derde actief beheerde thematische ESG fondsen. We beperken ons tot aandelenfondsen en vergelijken de geannualiseerde prestatie op drie jaar telkens met die van de onderliggende index van het fonds (prestaties op 30 september 2021).

 

 

5. Bespreking

De hierboven geselecteerde fondsen hebben gemeen dat ze 1) duurzaam beleggen en 2) dat ze hun referte-index consistent overtreffen.

Wat de ETF’s betreft ligt hun prestatie logischerwijze dichter bij hun benchmark. De uitzondering is de iShares ETF waar de referte-index de MSCI Europe ex-fossiele brandstoffen is, terwijl het fonds daarnaast niet belegt in de (sub)sectoren genotswaren, gokbedrijven, bewapening en pornografie. Dit andere beleggersuniversum verklaart de beduidend betere prestatie. Tegelijkertijd illustreert dit de methodologische problemen die er nog steeds zijn rond het creëren van correcte ESG benchmark indices.

De breed beleggende actief beheerde fondsen volgen meestal een ‘active share’ aanpak, d.w.z. dat ze in meer of mindere mate afwijken van hun referte-index bv. door aan aandelen met een kleinere marktkapitalisatie een groter gewicht toe te kennen. Dezelfde opmerking als wat de ETF’s betreft, is van toepassing: de gebruikte benchmark sluit niet steeds goed aan bij het gevoerde beleid. Die afwijkingen gaan veel verder dan in het geval van het gebruik van de activeshare methodologie. Zo heeft bv. Echiquier Positive Impact de MSCI Europe NR index als benchmark, terwijl het fonds om redenen van duurzaamheid een groot deel van de aandelen van deze index uitsluit. In de praktijk is het voor het beoordelen van de prestaties van breed beleggende actief en passief beheerde ESG fondsen daarom correcter te vergelijken met de rendementen van gekende, brede indices als de MSCI World, de EuroStoxx50 en de S&P500 dan te vergelijken met de door de fondsen zelf gebruikte indices. Ter info: de geannualiseerde prestatie op drie jaar van deze indices is resp. 15,6%, 10,7% en 18,5% (telkens op 30 september 2021).

Bij de thematisch beleggende actief beheerde ESG fondsen blijkt het element stockpicking nog meer door te wegen. Aandelen van bedrijven met een kleinere marktkapitalisatie krijgen een groter gewicht. Dit heeft als gevolg dat de fondsen van Credit Suisse en Nordea eerder als small & midcap fondsen moeten omschreven worden. Wat de thema-fondsen betreft, is onze selectie beperkt tot drie grote sectoren. Andere sectoren die recent in het brandpunt van de belangstelling stonden zoals bv. waterstofenergie of de opslag van CO2 hebben we buiten beschouwing gelaten; ze vertonen oververhittingsverschijnselen.

In een wereld geconfronteerd met klimaatverandering, vervuiling en toenemende ongelijkheid hebben we geen andere keuze dan onze voetafdruk te verminderen en dus duurzamer te gaan leven. Maatschappelijk verantwoord beleggen past in dat brede kader. Maar het is niet omdat een actief of passief beheerd fonds het predicaat ‘duurzaam’ of gelijkaardig in zijn benaming draagt, dat het inderdaad ook echt ESG vriendelijk belegt. Een onafhankelijk, gespecialiseerd researchbureau als Sustainalytics levert op dit vlak de informatie om met kennis van zaken te kunnen oordelen. Onze selecties zijn hiervan de weerspiegeling.   

6. Enkele praktische overwegingen

  • De door ons genoemde fondsen kunnen alle in België worden gekocht, hetzij bij klassieke financiële instellingen, hetzij bij online aanbieders. Echter, omdat actief beheerde fondsen in tegenstelling tot ETF’s doorgaans niet op een openbare beurs worden verhandeld, hoeft een financiële instelling niet in te gaan op de vraag om het fonds in kwestie aan te kopen. Sommige zullen dit weigeren omdat ze over geen distributieovereenkomst met de promotor beschikken.
  • De door ons genoemde fondsen bestaan meestal in verschillende versies of compartimenten (in EUR, USD, GBP…, met uitkering of kapitalisering van inkomsten, met een andere kostenstructuur naargelang het belegde bedrag…). Daarom stemt de door ons opgegeven ISIN code niet altijd overeen met het fonds met dezelfde naam en kenmerken dat een financiële instelling aanbiedt.
  • Valutaschommelingen hebben een grote impact (zowel positief als negatief) op het rendement. Soms biedt een fondsbeheerder een compartiment aan dat dit risico afdekt.
  • Beleggen in duurzame fondsen is evenzeer gebonden aan een reeks risico’s als beleggen in het algemeen.
  • Tenslotte wijzen we erop dat de in dit document genoemde fondsen geen geïndividualiseerd beleggingsadvies vertegenwoordigen.

Mark Scholliers
November 2021

Voetnoten